Sint-Thomas en de liturgie

From Elderswiki

Jump to: navigation, search
Main Page Capita Selecta

Contents

1 Sint-Thomas en de liturgie

Thomas heeft geen speciale verhandeling over de liturgie geschreven, maar wij vinden waardevolle en diepzinnige opmerkingen verspreid in het Derde Gedeelte van de Summa theologiæ. Ook de verhandeling over de deugd van godsdienstigheid (verering) in het Tweede Deel bevat nuttige aanwijzingen.[1]Deze deugd betekent dat men aan God geeft wat Hem toekomt, en wat men in overeenstemming met de religio doet maakt deel uit van de terugkeer van de mens naar God, zijn schepper. Op grond van de oneindige grootheid en verhevenheid van God moeten wij Hem bijzondere wijzen van verering en dankbaarheid aanbieden en ons aan Hem onderwerpen die onze oorsprong en ons einddoel is. De verering (cultus) die we Hem bewijzen omvat innerlijke en uitwendige handelingen, dit in overeenstemming met onze menselijke natuur. De innerlijke acten zijn de belangrijkste.[2]Deze overwegingen hebben op de mensen in het algemeen betrekking. In het Oude Verbond was de eredienst van God vastgelegd in de zg. ceremoniële wetten, die Israël moesten beschermen tegen de gevaren van het heidendom y de eredienst die Christus zou verrichten, voorafbeelden.

Zoals zal blijken is in het Nieuwe Testament deze eredienst voornamelijk het kruisoffer van Christus, de herdenking hiervan in de eucharistie en, in zijn uitwerkingen, de sacramenten. Herdenken is een symbolische handeling, een teken, en daarom kan men de liturgie omschrijven als een geheel van tekenen die de heiliging van de mensen door God aanduiden en bewerkstelligen. De sacramenten zijn dus de eredienst van God en een deelname aan het priesterschap van Christus.[3]De tekenen van de eredienst zijn handelingen en zintuiglijke dingen, die geestelijke en goddelijke zaken tot uitdrukking brengen. Sommige zijn algemeen en universeel: offergaven, eerbiedige houdingen, aanbidding, zuiveringsriten. Andere vormen een aparte groep, nl. de sacramenten. De Voorzienigheid heeft zintuiglijk waarneembare tekens gekozen om goddelijke dingen aan te duiden.[4]Onze heiliging is het werk van God. Daarom zijn de sacramenten die deze verwerkelijken, door God ingesteld en niet het werk van mensen. In de Summa theologiæ III, 25, 4 vinden we een moeilijkheid aan het begin van dit artikel : God gaat ons zozeer te boven dat wij niet anders meer zouden moeten doen dan wat God zelf heeft ingesteld; daarom moet de kerk hierasan niets toevoegen. Thomas is het wat het wezenlijke betreft eens met deze tegenwerping, d.w.z. wat betreft de vorm en de materie van de sacramenten, maar schrijft dan dat er, buiten dit wezenlijke, ruimte is voor het organiseren en bedienen van de sacramenten. In ieder geval moet de eredienst van de gemeenschap waardig en redelijk zijn. De Kerk oefent daarom toezicht uit - usus Ecclesiæ.[5]Thomas vermeldt hier de liturgie van de Oosterse Kerk en stelt een zekere historische ontwikkeling vast in de praktijk van de sacramenten.[6]Hij schrijft dat de apostel Jacobus en de kerk van Jeruzalem, als ook de H. Basilius een bijdrage geleverd hebben tot het nader bepalen van de celebratie van de Eucharistie,[7]maar men moet de regelingen niet vermenigvuldigen om het leven van de gelovigen niet lastig te maken.[8]Waar de genade overvloediger is, zijn er minder regels nodig. Overigens zijn de christenen vrij in het uitoefenen van particuliere devoties.

In een andere tekst schrijft Thomas dat men bij de viering en de bediening van de sacramenten op twee zaken moet letten, nl. de goddelijke eredienst en de heiliging van de mensen. Deze heiliging is aan God voorbehouden en daarom kunnen de mensen niet beslissen wat hen zal heiligen. Zo is zonder ons vastgelegd welke elementen we moeten gebruiken : water en olie, brood en wijn, handoplegging enz. Men kan niet zeggen dat hiermee de redding van de mensen moeilijker is geworden, omdat wat de materie en vorm van de sacramenten betreft, het om zaken gaat die binnen het bereik van allen liggen, of althans gemakkelijk verkregen kunnen worden.[9]Overigens zijn het ook zaken die overeenkomen met fundamentele gegevens van het menselijk leven.

Een andere belangrijke gedachte van Thomas is die van de harmonie en de wederzijdse aanvulling van de woorden en de materie in de sacramenten. God duidt ons geestelijke werkelijkheden aan door middel van zintuiglijk waarneembare dingen en door woorden die bij (deze geestelijke zaken) passen in de H. Schrift.[10]In wat de mensen bepaald hebben, ligt geen noodzakelijkheid. De bedoeling ervan is een zekere waardigheid te creëren en in de aanwezigen eerbied op te roepen, maar deze wijzen van opluistering blijven ondergeschikt aan het wezenlijke van de sacramenten. Thomas spreekt hier van een zekere solemnitas,[11]die dient om de grootsheid en diepte van de mysteries aan te duiden, die gevierd worden. Het gaat om tekenen die door de Kerk in gebruik zijn genomen -zoals woorden, kleding, gebaren, gezangen, die een uitdrukking geven aan het geloof en de devotie vergroten.[12]
Het meest belangrijke is het gegeven dat Christus de werkelijke bedienaar is van de sacramenten en van de eredienst die we aan God betonen, omdat al onze riten afgeleid zijn van het priesterschap van Christus.[13]De eredienst die Christus aan zijn Vader betoonde is het model voor onze eredienst, of beter gezegd : wat wij doen is deelnemen aan de aanbidding van de Vader door Christus, aan zijn dankzegging en voldoening. . Christus is de hoofdbedienaar van de sacramenten, zowel in zijn heilige mensheid als in zijn godheid. In zijn mensheid is hij instrumentele oorzaak, terwijl dan de priesters die de sacramenten bedienen daarvan neven werkoorzaken zijn en de sacramenten de werktuigen zijn die gebruikt worden.[14]In de Summa contra Gentiles schrijft Thomas dan ook dat Christus alle sacramenten bedient, en dat HIJ degene is die doopt en die zonden vergeeft.[15]In deze zin licht Thomas de actieve tegenwoordigheid van Christus in de liturgie toe als oorzaak van de genade, maar ook de aanwezigheid van het Paasmysterie.

Hoe verklaart Thomas dat het misoffer het kruisoffer van Christus is, op onbloedige wijze? In de eerste plaats verbeeldt en vertegenwoordigt de H.Mis het lijden van Christus en laat zij ons delen in de vruchten hiervan.[16]De H. Mis is een beeld dat de kruisdood in herinnering brengt, en de overgave van Christus aan de Vader hier voor ons actueel laat zijn. Alle verleden handelingen zijn tegenwoordig in het Nu (nunc stans) van Gods eeuwigheid. Gods almacht laat de innerlijke overgave, liefde en gehoorzaamheid van Christus van dat bepaalde ogenblik van de geschiedenis op Calvarië, voor ons werkzaam worden.

De woorden en gebaren van de priester verzinnebeelden het lijden van Christus : kruistekens, neigingen en kniebuigingen. Thomas legt het lavabo niet uit door naar de vele reinigingen van het Oude Testament te verwijzen, maar door haar gepastheid in een religieuze ceremonie. Evenmin verklaart hij het gebruik van wierook in plechtige vieringen door een analogie met wat men in de tempel van Jeruzalem deed, maar door de intrinsieke symbolische waarde hiervan.[17]Thomas wijst beslist een navolging van de ceremonies van Israël af. In het sacrament van de Eucharistie gaat het om iets geestelijks, dat echter een zichtbaar aspect behoudt vanwege onze menselijke natuur.

Thomas deelt de viering van de Eucharistie als volgt in:
a) de intocht en het voorbereidend gedeelte dat het Introibo en dan de oratio omvat;
b) de onderrichting : de eerste lezing, een lied, het evangelie et het Credo.
c) de viering van de Eucharistie in drie gedeelten: de offerande, de consecratie beginnend met de prefatie; het ontvangen van de geconsacreerde gaven, beginnend met het Onze Vader, Libera nos en het Agnus Dei, en gevolgd door dankzegging;
d) gebed en zegen sluiten de viering af.[18]
Volgens Thomas is het gelovige volk niet buitengesloten van de viering van dit centrale gedeelte, want de H.Mis wordt voor de gemeente gevierd. De collecte veronderstelt de voortdurende aanwezigheid van het volk; de lezingen vinden plaats ten overstaan van het volk; aan het einde van het offertorium vraagt de priester het volk deel te nemen aan de plechtigheid, en aan het einde van de canon betuigt het volk zijn instemming en bidt het Onze Vader. De aanwezigheid van het volk uit zich ook in de gezangen en de hymne tussen de lezingen.

Om de gebaren en bewegingen van de celebrerende priester uit te leggen roept Thomas in herinnering dat in de sacramenten iets op tweevoudige wijze kan worden aangeduid, nl. door woorden en door wat men doet. Deze twee samen leveren een perfecte verzinnebeelding op. In dit sacrament betekenen de woorden zowel een verwijzing naar het lijden van Christus als naar het Mystieke Lichaam.[19]
In zijn antwoord op de moeilijkheden, geopperd aan het begin van de artikelen, verklaart Thomas achtereenvolgens verschillende gebaren en gebruiken: de handwassing vindt plaats uit eerbied voor de materie van het sacrament alsook vanwege de symbolische betekenis van zuivering van zonden, maar is geen nabootsing van de Joodse zuiveringsriten. Evenmin gebruikt men wierook in navolging van wat men in de tempel van Jeruzalem deed, maar uit eerbied voor dit sacrament en om de uitwerking van de genade uit te beelden. De priester maakt driekeer een kruisteken over het brood en de wijn om op deze wijze het lijden van Christus in drie stadia voor te stellen. Hij herhaalt dit bij de woorden benedictam, adscriptam, ratam. Thomas verklaart de symbolische betekenis van deze kruistekens, zoals het oude Romeinse Missaal deze kent en voorschrijft. De consecratie in dit sacrament en zijn vruchten vloeien voort uit het kruis van Christus en zo maakt de priester telkens een kruisteken, wanneer hiervan sprake is. Na de consecratie dienen de kruistekens om de werkingskracht van het kruis van Christus te herdenken.

Onze armen tijden de H. Mis uitstrekken roept een herinnering op aan het kruis; dit opheffen beduidt ook dat ons gebed tot God gericht is. Tijdens de viering wendt de priester zich herhaaldelijk tot het volk om eraan te herinneren dat Christus na zijn verrijzenis verschillende malen is verschenen. Het breken van de hostie verzinnebeeldt het uiteenrijten van het lichaam van Christus tijdens zijn lijden, maar is ook een zinnebeeld van het Mystieke Lichaam in zijn verschillende momenten en toestanden, alsook van de verdeling van de genade die uit het lijden van Christus voortvloeit.

De priester plaatst een partikel van de geconsacreerd hostie in de kelk om daarmee aan te duiden dat de christenen in het lijden van Jezus delen of de hemelse zaligheid mogen genieten waarvan dit sacrament een voorafbeelding is. In deze zin is het fragment een symbool van de zaligen in de hemel. Vervolgens spreekt Thomas van de purificatie van de kelk, het bewaren van het H. Sacrament en van plechtige vieringen.[20]Uit dit alles zien we dat Thomas in de atmosfeer van de zeer symbolische middeleeuwse theologie staat, maar zich steeds houdt aan de wezenlijke liturgische traditie van de Kerk.[21]
Hoe staan de theologische uiteenzettingen over de liturgie van Thomas tegenover de Constitutie Sacrosanctum conclium van Vatikaan II? Men heeft wel gezegd dat deze constitutie een zekere reactie is tegen een enge, kille en juridische zienswijze op de sacramenten in het algemeen en op de Eucharistie in het bijzonder. Tijden het Concilie van Trente werd de werkoorzakelijkheid van de sacramenten als tekenen van de genade tegen de protestantse reformatoren bevestigd, maar een ander aspect van de sacramenten werd minder benadrukt, nl. dat zij het mysterie van het bovennatuurlijk heil in zijn geheel bevatten. De sacramenten heiligen en bouwen het Mystieke Lichaam op en zijn een eredienst die wij aan God betonen. Luigi Salerno publiceerde een belangrijke studie waarin hij aantoonde dat deze punten die door Vatikaan II naar voren worden gebracht, in de theologie van Thomas van het H. Sacrament reeds duidelijk aanwezig zijn, terwijl anderzijds zijn theologie ook aan de Vaders van het Concilie van Trente de formules en de precieze woorden verschaft had om de aard van de sacramenten en hun oorzakelijke werking aan te duiden, in het bijzonder m.b.t. de Eucharistie.[22]
Salerno herinnert eraan dat in de eerste helft van de XX ste eeuw de zg. Mysterientheologie , door de Benedictijn O. Casel, geïnspireerd, opgekomen is, die aan de dogmatisch-wetenschappelijke formulering van de theologie een dimensie van ervaring en beleving wilde toevoegen. Men poogde op deze wijze de kloof te overwinnen tussen een zeker rationalisme enerzijds (dat een breuk tussen het denken en de taal met zich meebracht) en de realiteit van het dagelijkse leven van elke dag anderzijds. Blijkbaar vonden sommige voorstanders van de Mysterientheologie dat er een tegenstelling is tussen de woorden die in de bediening van de sacramenten gebruikt worden en het leven in de wereld van de christenen. Volgens St. Thomas .zijn onze woorden een uitdrukking van ons denken, van onze begrippen terwijl het denken het gedachte ding is, en dit wordt. Daarom vormen de termen van de sacramentele formules en de werkelijkheid van de genade een geheel. De sacramenten bevatten in zich de bovennatuurlijke genade. «God heeft ons de geestelijke realiteiten aangeduid door middel van zintuiglijk waarneembare dingen in de sacramenten en in de Bijbel door woorden die een zekere gelijkenis met deze werkelijkheden vertonen»[23]
De geestelijke zaken die door de sacramenten verzinnebeeld worden behoren tot de geestelijke wereld en worden daarom door bepaalde zintuiglijk waarneembare dingen bekend gemaakt, zoals ook de geestelijke boodschap van de H. Schrift ons met behulp van analogieën uit de zinnelijke wereld.[24]Voor Sint-Thomas is de viering van de Eucharistie een mysterie. «In de viering van dit geheim wordt zowel de voorstelling van het Lijden van de Heer als de deelname aan de vruchten hiervan verwerkelijkt»[25]Het sacrament van de Eucharistie toont derhalve het lijden van Christus op een verborgen wijze.[26]Deze visie gaat boven een leeg conceptualisme uit en laat ook een irrationeel vitalisme achter zich. De constitutie over de gewijde liturgie van Vaticaan II leert dat «de sacramenten gericht zijn op de heiliging van de mensen, het opbouwen van het Lichaam van Christus, op het betonen van de verschuldigde eredienst aan God, en dat ons onderrichten in zoverre zij tekenen zijn; zij geven ons de genade. Hun viering of bediening plaatst de gelovigen in de goede gesteltenis om op vruchtbare wijze de genade te ontvangen, God of de Hem verschuldigde wijze te eren en de liefde te beoefenen».[27]Nu vinden wij al deze gedachten terug in de theologie van Thomas : de sacramenten zijn middelen ter heiliging en akten van eredienst aan God betoond.[28]Het sacrament van de Eucharistie bewerkt de eenheid van het Mystieke Lichaam.[29]De sacramenten nodigen on uit om devoot te zijn en helpen ons het te worden; zij onderrichten ons.[30]Wat het H. Sacrament bewerkt is de eenheid van het Mystieke Lichaam.[31]De sacramenten zijn ook een uitdrukking van ons geloof[32]
Professor Salerno voegt hieraan toe dat de Constitutie Sacrosanctum concilium de encycliek Mediator Dei van Pius XII volgt door te benadrukken dat de sacramenten een deelname zijn aan het priesterschap van Christus, het Hoofd van het Mystieke Lichaam. De sacramenten hebben hun werkingskracht te danken aan het lijden, de dood en opstanding van Christus.[33]Nu is dit precies wat Thomas leert die schrijft dat onze gehele liturgie afhankelijk is van het priesterschap van Christus.[34]Zoals dit reeds eerder aangeduid werd is Christus de eigenlijke bedienaar van de sacramenten.[35]Deze leer stemt overeen met wat Sacrosanctum concilium leert : Christus is tegenwoordig op een bijzondere wijze in de liturgische handelingen (§ 7). Thomas schrijft zelfs dat Christus zelf de bediening van de sacramenten voltrekt (perficit), want Hij is het die doopt en de zonden vergeeft.[36]
Hierboven hebben we reeds de tegenwoordigheid van de act van liefde van Christus vermeld die in het nunc stans æternitatis van God voortleeft. Hier is geen sprake van een wezenlijke herhaling van precies dezelfde akten van Christus, die aan het kruis stierf, maar van een actualisering ervan tot door God die hieraan een werkoorzakelijke kracht verleent.[37]Wat Christus in zijn menselijke natuur gedaan en geleden heeft, brengt ons het heil door de kracht van zijn godheid. Deze goddelijke kracht is in alle plaatsen en tijden aanwezig en is de verklaring van wat het sacrament van de Eucharistie is en bewerkt.[38]
Met Prof. Salerno kan men de tegenwoordigheid van Christus in alle sacramenten zoals Thomas deze ziet, als volgt bepalen:
a) Christus is tegenwoordig in zover zijn heilbrengend werk door de rite van de sacramenten herdacht wordt[39]
b) Christus is ook aanwezig omdat hij in de sacramenten werkt, waaraan hij zijn kracht meedeelt;[40]
c) Tenslotte is Hij tegenwoordig en werkzaam in zover wij door middel van de sacramenten aan het Paasmysterie deelhebben dat de causa exemplaris en de werkoorzaak van ons heil is.[41]
Op deze wijze is de genade niet een gebeuren dat ons als individu aangaat buiten de gemeenschap van alle gelovigen om, maar is onze inlijving in Christus in samenhang met de heilsgeschiedenis», zo past Thomas zijn leer van de sacramenten op de Eucharistie toe. Het sacrament van de Eucharistie heeft een drievoudige betekenis. In de eerste plaats verwijst dit sacrament naar het verleden, in zover het het lijden van Christus herdenkt. Vervolgens is het met het heden verbonden, namelijk met de eenheid van de Kerk, waarin de mensen in eenheid leven, samengebracht door dit sacrament. Tenslotte verwijst het ook naar de toekomst voorzover het een voorafbeelding is van ons genieten van God in het vaderland.[42]
Deze theologie van Thomas heeft een prachtige toepassing gevonden in het officie en de H.Mis van Sacramentsdag (Corpus Christi). De biograaf van Thomas, Guillermo de Toco, schrijft in zijn Vita van Thomas dat Thomas in opdracht van Paus Urbanus IV deze teksten gecomponeerd heeft, een getuigenis dat nu algemeen wordt aanvaard.[43]Thomas bevond zich te Orvieto, wrschl in de jaren1262-1265, toen het pauselijk hof zich in deze goed versterkte stad had gevestigd. Het officie begint met de woorden Sacerdos in æternum, terwijl de H.Mis als zang van het introítus het Cibavit heeft. Thomas verklaart de aanwezigheid van Christus in dit sacrament niet door te verwijzen naar zijn algemene tegenwoordigheid («Zie ik zal met U zijn in alle tijden tot aan het einde van de wereld»), zoals sommige theologen deden. Evenmin zegt hij dat Christus naar ons afdaalt, maar dat wij naar hem gaan: nos sibi coniungit in hoc sacramento.[44]We horen een weerklank van zijn theologie in de hymnen, die Thomas voor het feest gedicht heeft.

De openingswoorden van het officie vestigen de aandacht op Christus, Hogepriester voor eeuwig. Zoals wij eerder gezien hebben, is de liefde waarmee Jezus zich aan de dood heeft overgegeven, krachtens zijn godheid de redding voor ons allen. De volgende antifoon vermeldt Gods barmhartigheid, de bron van het werk der verlossing en van de sacramenten. De antifonen en het kapittel herinneren aan de deelname van de gelovigen aan de viering , en de instelling van het sacrament door Christus en zijn betekenis : een feestmaal. De hymne Pange lingua roept de geboorte van Jezus uit de Maagd Maria, zijn openbaar leven en de instelling van het H. Sacrament in herinnering. Het mensgeworden Woord bewerkt dat het brood zijn lichaam , de wijn zijn bloed wordt, een geloofsgeheim dat we aanvaarden. De hymne besluit met een lofzang op de H. Drieëenheid. Tweemaal onderstreept Thomas dat onze zintuigen ons hier niet helpen : et si sensus deficit en sensuum defectui. Men lette op de rijke theologische inhoud van de hymne. In enkele korte zinnetjes wordt het wezenlijke van het sacrament aangeduid met een sublieme dichterlijke uitdrukkingswijze, zoals in de zin: nobis datus, nobis natus..., Verbum caro, panem verum, verbo carnem efficit. De antifoon van het Magnificat beschrijft hoe wonderbaar dit sacrament is.

In de metten die nog in de nacht gezongen worden, worden wij herinnerd aan de laatste nacht van het leven van Jezus en aan de viering van het Paasmaal volgens de wet van het Oude Verbond, alsook aan de instelling van dit sacrament, waarin Jezus zich aan zijn leerlingen geeft. In de eerste nocturn beschrijven de drie lezingen de betekenis van dit sacrament en zijn plaats in de bovennatuurlijke orde. Het uitgangspunt is hier de liefde van God die ons nabij gekomen is en verlangt samen te zijn met ons. De een-geboren Zoon van God heeft de menselijke natuur aangenomen om ons deelgenoten aan zijn godheid te maken. Het menselijk lichaam dat hij aangenomen heeft, is de oorzaak van ons heil geworden toen Christus het op het kruis opgeofferd heeft en zijn bloed vergoten om ons te verlossen en te reinigen van onze zonden. Om een zo grote gave in onze herinnering aanwezig te laten blijven, heeft Christus ons onder de gedaante van brood zijn lichaam als spijs, en onder de gedaante van wijn zijn bloed achtergelaten. Er is geen groter wonder dan dit sacrament waarin de substantie van brood en wijn in het lichaam en bloed van Christus veranderd wordt en Christus, God en mens, bevat is onder de gedaanten van wat brood en wijn. Maar Christus is niet verdeeld. De accidentia van brood en wijn bestaan zonder hun eigen substantie, en wij vergissen ons niet als wij ze met onze zintuigen waarnemen. Niets is heilzamer voor ons dan dit sacrament waardoor de zonden worden vergaven en wij een overvloed van genade ontvangen.

In de drie lezingen van de tweede nocturn wordt de heerlijke smakelijkheid (dulcedo) van dit sacrament benadrukt, dat elke beschrijving te boven gaat. Christus heeft ons zijn onmetelijke liefde willen laten zien door ons dit sacrament achter te laten als een gedachtenis aan zijn lijden, als vervulling van wat in het Oude Verbond voorafgebeeld was, als het grootste van de wonderen die hij gedaan en als een buitengewone troost voor hen die bedroefd waren vanwege zijn heengaan. Het is daarom gepast dat de gelovigen op een plechtige wijze de instelling van het sacrament herdenken. Op Witte Donderdag doet men dit, maar omdat de Goede Week in het teken van het lijden van Christus staat, wilde Paus Urbanus in zijn grote devotie voor dit sacrament dat de gedachtenis ervan met een eigen feest gevierd zou worden op de Donderdag na het Octaaf van Pinksteren. Dit is dan na de komst van de H.Geest. De Paus verleende aflaten aan degenen die het officie bij zouden wonen en /of bij de H. Mis aanwezig zijn om aldus een grotere deelname van gelovigen te bereiken.

De lezingen van de derde nocturn zijn genomen uit het traktaat van Augustinus over het Evangelie volgens Johannes.[45]Augustinus betoogt dat dit sacrament degenen die het ontvangen onsterfelijk maakt en deelgenoten laat zijn aan het gelukzalige leven in volkomen vrede, omdat het vereniging aanduidt: veel graankorrels en veel druiven worden tot een eenheid. Christus is tegenwoordig in degenen die dit sacrament ontvangen. Wie dit sacrament ontvangt leeft door Christus, zoals Hij door zijn Vader leeft. Aldus onderstrepen deze lezingen de werking van dit sacrament en zijn een aanvulling op wat in de twee eerste nocturnes werd gezegd. Bovendien betrekken zij de grote Kerkvader bij de viering van het feest.
De hymne in de Lauden is Verbum supernum prodiens. Zonder op te houden bij zijn Vader te zijn komt het eeuwige Woord naar ons om ons te verlossen. Door een van zijn leerlingen verraden en overgeleverd aan degenen die Hem vervolgden, gaf Hij zichzelf aan zijn leerlingen als levensbrood. De hymne legt dan uit hoe Christus bij ons is : als metgezel, als tafelgenoot, als prijs en als beloning. De hymne eindigt met een bede om Gods hulp in het gevecht tegen onze vijanden. De antifoon bij het Magnificat vat het wezenlijke van dit sacrament samen :een feestmaal waar Christus wordt genuttigd, zijn lijden herdacht, onze geest met genade vervuld en ons een onderpand van het eeuwig leven wordt gegeven.

Met betrekking tot de teksten van de H.Mis valt te vermelden dat de eerste lezing de tekst van 1 Cor. 11, 23-27 is, terwijl het evangelie ons de passage uit Johannes 6, 23-27 voorhoudt. De eucharistie is een bron van leven en bewerkt dat Christus in ons tegenwoordig is en wij in Hem. Het meest originele gedeelte van dit eerste gedeelte van de H. Mis is de prachtige sequentie Lauda Sion in 23 strofen, waarvan de 17 eerste drie versregels, de vier volgende vier, en twee laatste vijf versregels tellen. Het is een didactisch gedicht van sublieme schoonheid. Thomas benadrukt hoe nieuw dit sacrament is dat een eind maakt aan het Paasfeest van het Oude Verbond, waarvan voorafbeeldingen nu verdwijnen om plaats te maken voor het licht. Vervolgens zet het gedicht het wonder van dit sacrament uiteen : de verandering van brood en wijn in het lichaam van Christus, de tegenwoordigheid van Christus in elke stukje van de hostie, zonder zelf in stukjes verdeeld te worden. De sequentie herinnert er vervolgens aan dat dit sacrament zijn voorafbeelding heeft in het offer van Isaak, in het Paaslam en in het manna. Het Lauda Sion eindigt met de bede dat Jezus, de Goede Herder en ons waarachtig voedsel, zich over ons moge ontfermen en ons deelgenoten moge laten zijn fan het feestmaal in het hemels vaderland.

Ondanks hun doctrinaire inhoud van de grootst mogelijke diepgang et hun theologische precisie behouden de hymnen toch hun poëtisch karakter in de woordkeus, hun glasheldere opbouw en muzikale klankwaarde. Tenslotte rest ons nog iets over de hymne Adore Te devote te zeggen die niet tot het officie van Sacramentsdag behoort. De traditie schreef deze hymne aan Thomas toe, maar sommige auteurs uitten twijfels m.b.t. zijn authenticiteit.[46]De zin quem velatum nunc aspicio zou niet tot het woordgebruik van Thomas behoren, die overigens nooit gezegd zou hebben visus, tactus, gustus in te fallitur : in dit sacrament vervullen de uitwendige zintuigen nl. wel hun taak en dwalen zij niet in wat zij waarnemen.[47]A. Wilmart geeft een goede samenvatting van de kwestie, zonder Thomas’ auteurschap van het gedicht uit te sluiten.[48]
Onlangs heeft men een kritische uitgave van de Ystoria sancti Thome de Aquino van Guillaume de Tocco gepubliceerd,[49]waarin de hymne in zijn geheel aanwezig is. J. Torrell voegt hieraan toe dat in een gedicht van Jacopone da Todi (tussen 1280 en 1294) men twee toespelingen vindt op de oorspronkelijke tekst van het Adoro Te. nl. Adoro Te devote latens veritas en Te qui sub his formis vere latitas. Dit betekent dat de hymne rond 1290 reeds bekend was.[50]- De tegenwerping dat Thomas niet zou zeggen dat onze tastzin, smaak en gezicht zich vergissen, m.b.t. de geconsacreerd hostie, in niet erg zwaarwegend, zij vergissen zich nl. niet m.b.t. hun eigenlijk object, maar met betrekking wat daaronder verborgen ligt. Overigens vinden we in de hymne Pange lingua ook reeds de uitdrukkingen etsi sensu deficit en sensuum defectui. Volgens R. Wielockx kan men zeggen dat de dichterlijke vorm en de theologische inhoud van het Adoro Te bevestigen dat Sint-Thomas de hymne heeft gemaakt. Hij wijst op de plaats van het werkwoord latere in de tekst, en op drie andere ideeën die men ook in de andere hymnen van het officie van Sacramentsdag terugvindt: de ontoereikendheid van onze menselijke rede, het te kort schieten van de zintuigen, de rol van het geloof. Voorts vindt men in het Adore Te, zoals ook in de overige hymnen een verwijzing naar de zaligende aanschouwing.[51]
Vermelden we tenslotte dat de gelovigen de hymnen van het officie met grote devotie zingen. Wij kunnen slechts dankbaar zijn voor teksten van een zo grote schoonheid, klank- en melodie rijkdom, diepgang en vroomheid.

U vindt op de volgende bladzijde de welbekende teksten. Hier volgt het 'Adoro Te.

1.1 Adoro te devote

Adoro Te devote

1.2 O memoriale mortis Domini

O memoriale mortis Domini
Panis vivus vitam præstans homini
præsta meæ menti de te vivere
et Te illi semper dulce sapere,

Pie pellicane, Iesu Domine
me immundum munda tuo sanguine
cuius una stilla salvum facere
totum mundum queat ab omni scelere.

Iesu quem velatum nunc aspicio
Oro fiat illud quod tam sitio
ut Te revelata facie
Visu sim beatus tuae gloriæ. Amen

1.3 Sacris Solemniis

Sacris Solemniis

1.4 Pange lingua

Pange lingua

1.5 Verbum supernum prodiens

Verbum supernum prodiens

2 Voetnoten

  1. II-II, 81, 2.
  2. III, 81, 7
  3. III, 60, 5. Vgl. L.G. Walsh, «Liturgy in the Theology of St. Thomas», The Thomist 38 (1974), 557-583.
  4. S.c.G. III, 114.
  5. Vgl. C. Borobia, «La liturgia como lugar teológico en la teología sacramentaria de santo Tomá», in Miscelanea P. Cuervo, Salamanca 1970, 229-254.
  6. III, 80, 10 ad 5.
  7. III, 83, 4, sed contra. In deze tekst stelt Thomas een zekere ontwikkeling vast..
  8. I-II, 107, 4.
  9. III, 60, 5.
  10. L.c., ad 1 : «Deus est qui nobis significat spiritualia per res sensibiles in sacramentis et per verba similitudinaria in scripturis».
  11. III, 64, 2 ad 1.
  12. 12. Vgl. F. Quöex, «Thomas d’Aquin, mystagoguie: L’Expositio Missæ de la Somme de théologie, IIIa, 83, 4-5», in Revue thomiste 105, 2005, 179-226.
  13. III, 63, 3: «Totus autem ritus christianæ religionis derivatur a sacerdotio Christis».
  14. III, 64, 3.
  15. IV, c. 76.
  16. III,83, 1: «Duplici ratione celebratio huius sacramenti dicitur immolatio Christi. Primo quia... imago quædam est representativa passionis Christis, quæ est vera eius immolatio... Alio modo quantum ad effectum passionis: quoties huius hostiæ commemoratio celebratur, opus nostræ redemptionis exercetur».
  17. III, 83, 5 ad 1 : «... non eodem modo observatur sicut tunc».
  18. Deze tekst is iets anders dan wat Thomas in zijn Sententicommentaar geschreven had. Zie P.-M. Gy, «Avancées du traité de l’Eucharistie de S.Thomas dans la Somme par rapport aux Sentences», Revue des sciences philosophiques et théologiques 77 (1993), 219-228; F. Quöex, o.c. (n. 12), 212-214.
  19. III, 83, 5.
  20. Zie de antwoorden op de twaalf moeilijkheden die aan het begin van dit artikel geopperd werden.
  21. Zie L.G. Walsh, n. 3, p. 564.
  22. L. Salerno, «San Tommaso e la Constituzione sulla Liturgia», Sapienza 18, (1965), 264-284.
  23. III, 60, 5 ad 1: «Deus est qui nobis significat spiritualia per res sensibiles in sacramentis et per verba similitudinaria in Scipturis».
  24. III, 60, 4.
  25. III, 83, 2: « In celebratione huius mysteriiattenditur et repraesentatio dominicæ passionis et participatio fructus eius».
  26. III, 78, 3 ad 5.
  27. III, 50.
  28. III, 60, 5: «In usu sacramentorum duo possunt considerari, sc. cultus divinus et sanctificatio hominis»
  29. III, 73, 3.
  30. III, 66, 10.
  31. III, 73, 3.
  32. III, 4 ad 3:«Cultus divinus est quædam fidei protestatio per exteriora signa».
  33. Sacrosanctum concilium, nn. 26 en 61.
  34. III, 63, 3: «Totus ritus christianæ religionis derivatur a sacerdotio Christi». Vgl. III, 62, 5:«... per suam passionem initiavit ritum christianaæ religionis offerens seipsum hostiam et oblationem».
  35. III, 64, 3.
  36. S.c.G. IV, c. 76: «Omnia Ecclesiæ sacramenta ipse Christus perficit: ipse enim est qui baptizat, ipse qui peccata remittit».
  37. III, 50, 6 ad 1: «Mors Christi est operata nostram salutem ex virtute divinitatis unitæ»;III 56, 1 ad 1: «Quia humanitas Christis est divinitatis instrumentum, omnes actiones et passiones Christi instrumentaliter operantur in virtute divinitatis ad salutem humanam».
  38. III, 56, 1 ad 3: «Quæ quidem virtus præsentialiter attingit omnia loca et tempora. Et talis contactus virtualis sufficit ad rationem huius sacramenti».
  39. III, 60, 3: «Rememorativum eius quod præcessit, scilicet passionis Christi».
  40. III, 62, 5: «cuius virtus quodammodo nobis copulatur per susceptionem sacramentorum».
  41. III, 56, 2 ad 4.
  42. II, 73, 4; Salerno, o.c., p. 131 v.
  43. Zie J. Torrell, Initiation à saint Thomas d’Aquin, Fribourg 1993, 189, vv en de samenvatting aldaar van de litteratuur.
  44. III, 75, 1.
  45. In Ioannis Evangelium, tract. 26, nn. 17,18,19. Er zijn enkele kleine wijzigingen in vergelijking met de tekst van de recente uitgaven.
  46. Zie E. Hugueny, «L’ Adore Te est-il de saint Thomas?» in Archivum Fratrum Prædicatorum 4 (1934), 221-225.
  47. Vooral Pierre-Marie Gy heeft dit naar voren gebracht, in «L’office du Corpus Christi et la théologie des accidents liturgiques», in Revue des Sciences philosophiques et théologiques, 66 (1982), 81-86.
  48. «La tradition littéraire et textuelle de l’Adoro Te», in Recherches de théologie ancienne et médiévale 1 (1929), 21-40; 149-176.
  49. (Dissert. dactyl., Université de Montréal, 2 t., 1987.
  50. O.c., 194.
  51. R. Wielockx,«Poetry and Theology in the Adoro Te devote : Thomas Aquinas on the Eucharist and Christ’s uniqueness», in Christ among the Medieval Dominicans, Indiana 1998, 157-174.
Personal tools