Sint-Thomas en de Kerkvaders

From Elderswiki

Jump to: navigation, search
Main Page Capita Selecta

Contents

1 Sint-Thomas en de Kerkvaders

De studie van dit thema is van belang om beter te zien welk idee Thomas had van de wijze waarop we theologie beoefenen, en ook om de mening te weerleggen, dat we eerst recentelijk de Vaders her-ontdekt hebben en we nu een “nouvelle théologie” kunnen gaan beoefenen die de plaats moet innemen van “de dorre scholastiek”. Nadere studie wijst uit dat Sint-Thomas een buitengewone kennis van de Vaders had, en hun geschriften in al zijn werken gebruikte.

Met de naam kerkvaders bedoelen we de bisschoppen en theologen uit de eerste eeuwen van de Kerk, die zich onderscheiden door hun geleerdheid en heiligheid en erkend worden als de vertegenwoordigers van de oorspronkelijke en funderende traditie van de Kerk. Tegenwoordig beschouwt men 16 van deze theologen en leiders “kerkvaders”. Acht van hen behoren tot de Oosterse, 8 tot de Latijnse Kerk. De H. Isidorus van Sevilla is de laatste Kerkvader in het Westen, terwijl Johannes Damascenus in het Oosten de rij van Kerkvaders sluit.[1]Men notere dat Thomas van Aquino en ook andere middeleeuwse theologen, geen strenge chronologische indeling gebruikten. Er is niet veel geschreven over de verhouding van Sint-Thomas tot de Kerkvaders: we hebben een serie artikelen van A. Gardeil in de Revue thomiste aan het begin van de 20 ste eeuw, en het werk van Martin Grabmann, Geschichte der scholastischen Methode.[2]Overigens had de grote theoloog M.Scheeben reeds in de 19de eeuw zoveel mogelijk de theologie van de Vaders in zijn geschriften gebruikt en geïntegreerd.

1.1 De Kerkvaders en de Middeleeuwen

Tijdens de gehele periode van de Middeleeuwen kenden de theologen in het westen een groot deel van de geschriften van de Latijnse Vaders, zoals Ambrosius, Hilarius, Hieronymus en Gregorius de Grote. Natuurlijk was Augustinus aan allen bekend. Men kende ook teksten van Damascenus. Scotus Eriugena, Paschasius Radbertus, Ratramnus en Gilbertus Porretanus verwijzen naar verschillende Griekse Vaders. Eerst toen de geschriften van Aristoteles in het Westen bekend werden, nam men ook meer en meer kennis van teksten van Griekse kerkelijke auteurs, en met name hun leer van de hiërarchische opbouw van de schepping, en van de vergoddelijking van de natuur in Christus kregen veel aandacht. Italiaanse vertalers begonnen de werken van de Griekse Vaders toegankelijk te maken.

1.2 De gebruikte terminologie

Thomas gebruikt de uitdrukking “kerkvaders” niet, maar spreekt van doctores Ecclesiæ. De uitdrukking sancti Patres beduidt de patriarchen van het Oude Verbond of soms ook de anachoreten in de woestijnen van Egypte en Syrië, alsook de bisschoppen die aan de oecumenische concilies deelnamen. De woorden sancti doctores komt overeen met wat nu Kerkvaders genoemd worde, ofschoon de termen ook theologen uit latere eeuwen aanduiden. Wanneer enkelen met name genoemd worden, heten de overigen alii doctores.

1.3 Het gezag van de Vaders volgens Sint-Thomas

Het is eigen aan de gewijde theologie gezagsargumenten te geven, omdat haar beginselen en leer uit de goddelijke openbaring tot ons komen. De theologie gebruikt ook de natuurlijke rede, weliswaar niet om het geloof te bewijzen, maar om de de præambula fidei aan te tonen, de gebruikte begrippen te verduidelijken en analogieën met de natuurlijke orde aan te geven. Het eigenlijke fundament van de theologie is wat God geopenbaard heeft ( de H. Schrift gelezen volgens de leer van de H. Kerk). De Vaders hebben ook een gezaghebbende, ofschoon secundaire plaats: hun autoriteit geeft waarschijnlijkheid aan wat ze schrijven. - De argumenten uit de filosofie staan dus eigenlijkbuiten de gewijde theologie, in zover de theologie uitgaat van de goddelijke openbaring. De geschriften van de Vaders bevinden zich in het verlengde van de H. Schrift, en hun bijbelcommentaren werden onder de inspirerende werking van dezelfde H. Geest geschreven.[3]Toch
hebben hun geschriften geen absolute autoriteit. Zij zijn een bron van de geloofsleer in zover zij weergeven wat in de Bijbel staat en hun uitleg door de Kerk is aanvaard. De Vaders zijn derhalve getuigen van het geloof van de Kerk, en er bestaat een continuïteit van denken tussen hen, die de Apostelen vertegenwoordigen en de H. Schrift zelf.[4]De Vaders leggen de Bijbel uit en kunnen ideeën uit de filosofie gebruiken.

Augustinus kent niet steeds een bijzonder gezag aan bepaalde Vaders als vertolkers van de H. Schrift toe.[5]Om de diepere betekenis van de H. Schrift te begrijpen hebben we de uitleg van de heiligen nodig, zelfs als niet alles wat ze te boek stellen een grote waarde heeft, of wanneer sommige van hun beweringen verkeerd zijn, wanneer zij iets naar voren brengen dat niet tot het geloof behoort.[6]In zaken die niet geopenbaard zijn kan men dan een andere mening hebben. Zo zeggen Hiëronymus, Hilarius en Gregorius van Nazianze dat de engelen eerder dan de materiële wereld geschapen werden, terwijl Augustinus leert dat alle schepselen terzelfder tijd door God gemaakt zijn.[7]Maar Thomas voegt hieraan toe dat men niet lichtvaardig de mening van Gregorius van Nazianze moet afwijzen, die een zo groot gezag heeft dat niemand hem ooit van dwaling heeft beschuldigd.[8]Thomas zelf zal in alle uiteenlopende meningen steeds het nuttige zoeken. Een theoloog moet derhalve zich met volharding en respect over de teksten van de grote leraren buigen, zonder wat zij zeggen te kritiseren.[9]Het voorwoord op het werk Contra errores Græcorum definieert Thomas’ positie in deze : in zover sommige leerstellingen in de werken van de Vaders twijfelachtig schijnen, kunnen zij een aanleiding tot dwalingen of tot nodeloze discussie worden. Thomas probeert een goede verklaring te geven van wat twijfelachtig schijnt in sommige teksten, om vervolgens hierin een vertrekpunt te vinden voor de uitleg en verdediging van het katholieke geloof.

In dit opusculum , zoals trouwens ook elders in zijn werken, legt Thomas uit waarom bepaalde teksten en zinsneden van sommige Vaders ons twijfelachtig kunnen toeschijnen. De reden hiervan is dat hun teksten soms door bepaalde Neo-Platoonse leerstellingen beïnvloed zijn.[10]Maar belangrijker is dat pas na de opkomst van de eerste ketterijen de Vaders zich gedwongen zagen met groter nauwkeurigheid en zorg zich te uiten. Zo spraken zij b.v. vóór de opkomst van het arianisme, niet zo uitdrukkelijke over de eenheid van het goddelijk wezen, zoals andere Vaders dit later zouden doen. Hetzelfde overkwam Augustinus, de grootste van de Theologen, die na de opkomst van het pelagianisme zich zorgvuldiger moest uitdrukken m.b.t. de menselijke wilsvrijheid dan hij dit in zijn geschriften tegen de Manicheeërs gedaan had, waarin hij de menselijke vrijheid verdedigde.[11]In hun strijd tegen de ketterijen gaan de Vaders soms te ver de andere richting opgingen.[12]
Een mooi voorbeeld van de wijze waarop Thomas soms uitspraken van de Vaders corrigeert is zijn verklaring van een gezegde van Chrysostomus, te weten dat de H. Maagd Maria ambitieus was en de aandacht van de andere gasten bij de bruiloft te Kana wilde trekken. Maar met dat te zeggen, “ging hij te ver”, (in verbis illis excessit), maar hij voegt hieraan toe dat men een goede zin aan deze woorden kan geven, nl. dat Chrysostomus alleen maar tot uitdrukking brengt wat de mensen destijds in het algemeen van Maria dachten.[13]Op overeenkomstige wijze moeten de plaatsen in het werk van Johannes Damascenus waar hij zegt dat de H.Geest niet van de Zoon voortkomt[14]of dat de natuur van God zich tot een menselijk lichaam heeft gemaakt.[15]Aangaande de theorie van Origenes van de subordinatie van de Zoon aan de Vader drukt Thomas zich krachtiger uit. Het gebeurt dat een Vader een mening voorstaat zonder zich er rekenschap van te geven dat deze reeds door een concilie is verworpen.[16]Wanneer de Vaders verschillen van mening over leerpunten die niet tot de geopenbaarde leer behoren, moeten wij hun vrijheid eerbiedigen en met respect over hun opvattingen spreken.[17]Meningsverschillen kunnen zelfs zeer nuttig zijn, b.v. m.b.t. de tekst van 1 Timotheus 2, 4 (“God wil dat allen gered worden”), citeert Thomas de voornaamste verklaringen van de Vaders, zoals hij dat ook bij andere moeilijke problemen doet. Het zoeken naar de waarheid is een gemeenschappelijke taak, die de samenwerking van velen vereist.

Volgens Sint-Thomas geeft zelfs een consensus tussen talloze Vaders geen totale zekerheid. Slechts de leer van de Kerk is het absolute criterium om de waarheid van wat zij schrijven te bevestigen. De Kerk geeft dus een definitieve waarde aan hun leer, zoals b.v. het concilie van Chalcedon dat deed met betrekking tot wat Paus Leo in zijn 28 ste brief had geschreven.[18]Hetzelfde gebeurde met de samenvatting van het geloof door Athanasius (Quicumque), die door de autoriteit van de Paus bekrachtigd werd en zo een norm voor het geloof werd.[19]
Noteren we tenslotte dat de wijze waarop de huidige theologen de werken van de Vaders gebruiken niet noodzakelijkerwijze dezelfde is als die van Thomas, die in hun teksten een boodschap komend van God beluisterde, deze overwoog en naar de betekenis ervan zocht, zelfs als deze op het eerste gezicht vreemd en onbegrijpelijk was. Tegenwoordig is men echter geneigd deze teksten in een historisch perspectief te plaatsen en met een vergelijkende methode te evalueren, Tertullianus heeft dan dezelfde betekenis als Athanasius en Clemens van Alexandrië als Ambrosius. Vanuit de theologie bezien is de methode van Thomas beter.

1.4 Het belang van de vraag naar de authenticiteit van bepaalde werken

Wat het toeschrijven van bepaalde werken aan deze of gene Vader betreft, volgde Thomas de gangbare mening van zijn tijd, die zich m.b.t. bepaalde werken vergiste. Het De Fide ad Petrum van Fulgentius wordt toegeschreven aan Augustinus; het symbolum Quicumque aan Athanasius, het De natura hominis van Nemesius aan Gregorius van Nyssa en een onvoltooid commentaar van het Marcus-evangelie aan Chrysostomus. Ondanks deze en enkele andere vergissingen, was voor Thomas de authenticiteit een belangrijke kwestie. Zo schrijft hij dat het werk De spiritu et anima niet van Augustinus is, en daarom geen autoriteit bezit.[20]

1.5 De bronnen waaruit Thomas zijn kennis van de Vaders heeft geput

Heeft Thomas de meeste Vader-teksten die hij vermeldt, rechtstreeks uit hun werken ontnomen of heeft hij vaak gebruik gemaakt van reeds bestaande verzamelingen van teksten, die destijds in omloop waren? Totdat de nieuwe Leonina uitgave van alle werken van de Doctor communis voltooid is, is een antwoord moeilijk. Overigens kan het antwoord verschillen van werk tot werk. In de Quaestiones disputatæ worden b.v. veel citaten uit de Vaders door deelnemers aan de discussie gebruikt. Anderzijds kan Thomas zelf ook tegenwerpingen en moeilijkheden geformuleerd hebben, zoals b.v. in de Quaestio disputata de malo. In zijn werken die hij na de Catena aurea geschreven heeft gebruikt Thomas vaak de teksten die hij in de Catena had geciteerd. J. De Ghellink is van mening dat de theologen van de 12de en 13de eeuw hun citaten van de Vaders voor een groot gedeelte ontleenden aan tekst verzamelingen zoals de Tabula aurea in Augustinum en de Tabula in Damascenum. Hij vermeldt verder dat de magistri vaak tegenstrijdige teksten citeerden, om als oefening te dienen in dialectiek.[21]Er waren talloze van deze tekstverzamelingen in omloop. Overigens gaven enorme verzamelwerken zoals de Summa fratris Alexandri gemakkelijk toegang tot de belangrijkste teksten betreffende bepaalde thema’s. De Glossæ moeten ook vermeld worden. Thomas heeft de volgende gebruikt : Glossa ordinaria ; Glossa interlinearis; Glossa Petri Lombardi.

''Ondanks het bestaan van des verzamelingen en bloemlezingen hebben sommige theologen zich grote inspanningen getroost om met eigen ogen een of ander boek van de Vaders te consulteren. Albertus de Grote besteedde veel tijd aan de studie van de Latijnse Vaders. Ongetwijfeld heeft Thomas op een of ander ogenblijk van zijn leven de voornaamste werken van de Latijnse Vaders gelezen, ofschoon hij ze waarschijnlijk niet steeds bij de hand had als hij zijn grote geschriften componeerde, Hij kon zich echter op zijn onvoorstelbaar geheugen verlaten. Soms komen we een Vader-tekst tegen zonder dat een betreffend werk vermeld wordt. B.v. in S Th I-II, 72, 7 worden de zonden verdeeld in zonden in het gedachte, in de woorden of in de handelingen, - een indeling aan Hiëronymus toegeschreven. Een tekst van Origenes bevestigt dat nederigheid een deugd is, maar deze teksten zijn geheel geïsoleerd.. Maar wanneer Thomas een tekst citeert, de titel van het werk weergeeft en het hoofdstuk, had hij hoogstwaarschijnlijk het betreffene boek binnen zijn bereik. - Thomas vermeldt nooit Minutius Felix, en evenmin Lactantius. Tertullianus wordt zeven keer genoemd, maar gekritiseerd vanwege zijn materialistische opvatting van de ziel, en zelfs van God, zodat Thomas hem een ketter noemt. Waarschijnlijk heeft hij zijn werken niet gelezen, maar baseert hij zich op wat Augustinus en anderen over hem geschreven hebben.

1.6 Thomas en de Griekse Vaders

Thomas kende niet voldoende Grieks om Griekse teksten te lezen. Niettemin heeft hij geschriften van een groot getal Vaders en kerkelijke schrijvers uit het Oosten gelezen. Deze werken waren veel talrijker dan die welke aan zijn voorgangers of tijdgenoten bekend waren. In zijn Catena in Evangelium Lucae citeert hij theologen die tot dusver in het Westen onbekend waren. In zijn christologie, van het derde deel van de Summa theologiae citeert hij teksten van Athanasius en Cyrillus van Alexandrië, die hij in de Acten van het Concilie van Ephese gevonden had. Thomas is ook de eerste theoloog die teksten van de eerste vijf oecumenische concilies citeert. Hij schijnt een Latijnse vertaling hiervan aangetroffen te hebben in de archieven van het pauselijk hof of wellicht in de bibliotheek van Monte Cassino. Maar verwijzingen naar de apologeten uit de tweede eeuw en naar Ireneus en Clemens van Alexandrië ontbreken.[22]De 6 referenties naar Ignatius zijn ontleend aan Hiëronymus en Pseudo-Dionysius. Justinus wordt vermeld in het niet-authentieke De regimine principum.

1.7 Welke vertalingen stonden Thomas ter beschikking?

Reeds in de vijfde en volgende eeuwen waren een aantal commentaren op boeken uit de H.Schrift, homilieën en werken als het De principiis van Origenes vertaald door Hiëronymus en Rufinus. Eveneens waren een aantal preken van Chrysostomus en Basilius vertaald. Tegen het midden van de 12de eeuw vertaalde Giovanni Burgundio van Pisa de homilieën van Chrysostomus op het Evangelie van St. Jan, op het boek Genesis, en op het Evangelie van St.Matthaeus. Hierbij komt dan nog de vertaling van een gedeelte van De natura hominis van Nemesius (toegeschreven aan St. Gregorius van Nyssa) en het derde gedeelte van de Fons scientiæ van Johannes Damascenus, vertaald onder de titel van De fide orthodoxa, een boek dat een grote invloed heeft uitgeoefend op de theologie in het Westen. Voor de werken van Ps.-Dionysius heeft Thomas verschillende vertalingen gebruikt . In de Summa contra Gentiles is het die van Sarrasinus, in de overige werken meestal die van Johannes Scotus Eriugena. De homilieën van verschillende Griekse Vaders op het Hexaemeron stonden ter beschikking in de vertaling van Eustachius.

1.8 De citaten van de Vaders in Thomas geschriften

Aan het begin van de 20ste eeuw heeft G. Von Hertling gesuggereerd dat een groot aantal van de citaten uit Augustinus in Thomas werken slechts decoratief zijn.[23]Men heeft hetzelfde gezegd m.b.t. een groot aantal referenties naar Bijbelteksten,[24]Maar deze voorstelling van zaken is niet gelukkig en verliest het wezenlijke uit het oog. De talloze citaten uit de Vaders beogen de doctrinaire uitwerking van een thema een hecht fundament te geven in de meest authentieke traditie van de Kerk en de eenheid van het christelijk denken van alle eeuwen aan te duiden. Thomas was minder geïnteresseerd in een historische studie van de Vaders dan in het ontdekken -dank zij hun hulp - van een dieper begrip van de geloofswaarheden. Zoals I. Backus schrijft, «...moeten de Vaders de weg naar de diepste geloofsgeheimen veiliger en gemakkelijker maken, en moeten licht in het donker brengen. Thomas verlangt van hen te leren en hij wil weten wat zij zeggen om het mens geworden Woord van God beter te kennen».[25]

Wanneer men de Summa theologiæ bestudeert, ontdekt men een zekere strategie in de redactie van de argumenten sed contra. In de quæstiones die rechtstreeks met geloofszaken betrekking hebben, citeert Thomas Bijbel-teksten of wanneer het moeilijk is toepasselijke teksten te vinden, gezegden van enkele Vaders. Maar deze citaten volgen een bepaald plan en Thomas wijst aan Augustinus, Ambrosius, Gregorius de Grote en aan andere Vaders een domein toe waarop zij een bepaalde bevoegdheid bezitten..

Terwijl in de Summa theologiæ de sed contra argumenten veelal een funderende betekenis hebben voor de uiteenzetting in het artikel zelf, vinden wij ook in de tegenwerpingen en moeilijkheden die vermeld worden, zowel in de Summa theologiæ en de Quæstiones disputatæ als in andere werken een groot getal citaten uit de Vaders. Thomas vermeldt die teksten niet zozeer ter oefening in de dialectiek, dan wel om de diepere zin ervan te verstaan en zo de harmonie in de leer van de verschillende Vaders aan te tonen. Dwalingen en gebrekkige formuleringen zijn soms het gevolg van een onjuist taalgebruik en verkeerde terminologie.

Natuurlijk zijn er ook werkelijke onjuistheden, maar in de meeste gevallen is er een verborgen zin, die het toestaat een tekst juist te verstaan. Om afwijkingen te verklaren maakt Thomas van subtiele distincties gebruik, en legt hij uit hoe bepaalde termen in verschillende betekenissen kunnen worden gebruikt. De Vaders zijn eveneens een bron van informatie voor filosofische leerstellingen in de oudheid. In S Th I, 1, 5 obj. 2 vermeldt hij een gezegde van Hiëronymus: «De leraren uit de Oudheid hebben zoveel uitdrukkingen aan de filosofen ontleend, dat het moeilijk te zeggen valt of ze meer voor hun kennis van dezen dan wel om wille van die van de H. Schrift geprezen moeten worden».

1.9 Voetnoten

  1. Theologen als Origenes en Tertullianus worden niet als kerkvaders beschouwd omdat zij niet voldoen aan de of ander van de genoemde kenmerken.
  2. Zie ook L.Elders, «Thomas Aquinas and the Fathers of the Church», in Irena Backus, The Reception of the Church Fathers in the West, Brill, Leiden, 1997, I, 337-366, en studies over St.Thomas en St. Augustinus (in Doctor communis), St.Thomas en St. Hiëronymus,, St.Thomas en St. Jan Chrysostomus, St. Thomas en Sint Gregorius de Grote (in Nova et Vetera, 1997- 2011)
  3. Quodl. XII, a. 26 (q. 17, art. Unicus)”: «Dicendum quod ab eodem Spiritu Scipturæ sunt expositæ et editæ».
  4. Vgl. J.G. Geenen, «Le fonti patristiche come autorità nella teologia de S. Tommaso», in Sacra doctrina, 77, 7-67, p. 18.
  5. Vgl. Epist. 82, 1, 3 (aan Hiëronymus): «Alios autem ita lego ut quantalibet sanctitate et auctoritate præpolleant, non ideo verum putem quia ipsi ita senserunt; sed quia mihi vel per illos auctores canonicos vel probabili ratione quod a vero non abhorreat, persuadere potuerunt» (PL 33, 296). Cf. Epist. 148.
  6. Quodl. XII, art. 26, ad 1.
  7. In II Sent., d. 2, q. 1, a. 3.
  8. S Th I, 61, 3.
  9. S Th II-II, 49, 3 ad 2.
  10. Cf. In II Sent., d. 14, q. 1, a. 2.
  11. Contra errores Græcorum, nn. 1-29.
  12. In Evangelium Ioannis, c. 1, les 7, n. 174: «Nam antiqui doctores et sancti emergentes errores circa fidem ita persequebantur ut interdum viderentur in errores labi contrarios».
  13. S Th III, 27, 4 ad 3.
  14. S Th I 36, 2 ad 3.
  15. De fide orthodoxa, III, c. 6.
  16. S Th III, 2, 6.
  17. S Th II-II, 1, 2.
  18. Q. d. de potentia, q. 10, a. 4 ad 13.
  19. S Th II-II, 1, 10 ad 3.
  20. Q D de anima, a. 9 ad 1; S Th III, 35, 6 ad 3; Thomas gebruikt uitdrukkingen als auctoritatem non habet of non est authenticus.M.b.t. deze kwestie zie G. Geenen, «Saint Thomas d’Aquin et ses sources pseudo-épigrahiques», in Ephemerides theol. Lovanienses, 1943, 71-80.
  21. Zie zijn «Le Traité de Pierre Lombard sur les sept ordres ecclésiastiques : ses sources, ses copistes», in Revue d’histoire ecclésistique, X (1909), 290 ss.
  22. Hij spreekt een enkele maal van “Clemens de filosoof”.
  23. Sitzungsberichte d. Bayr. Akad. Der Wiss. Phil. Philol. Histor. Klasse,1904, 535-602.
  24. W.G.M.B. Valkenberg, Did not our Heart Burn? Place and Function of Holy Scriptuire in the Theology of Aquinas, Utrecht 1990.
  25. Die Christologie des hl. Thomas von Aquin und die griechischen Kirchenväter, Paderborn 1931, p. 123.
Personal tools