Sint-Thomas en de H. Schrift

From Elderswiki

Jump to: navigation, search
Main Page Capita Selecta

Contents

1 Sint-Thomas en de H. Schrift

In Thomas’ tijd bestond de voornaamste taak van een magister in de faculteit der theologie in het dagelijks lesgeven over de boeken van de H. Schrift. Van Thomas zijn commentaren bewaard op de Brieven van Sint-Paulus, de Evangeliën volgens Mattheus en Johannes, de profetieën van Jesaja, en Jeremia, het boek Job en de eerste 54 Psalmen. Tot voor kort bestond er weinig interesse voor dit gedeelte van het œuvre van Thomas. Dit gebrek aan belangstelling kan men begrijpen lettend op verschillende moeilijkheden: de kritische exegese stond nog in haar kinderschoenen, Thomas zelf kende noch Grieks noch Hebreeuws. Een ander verschilpunt is dat men bij Thomas een diepe eerbied voor de tekst aantreft, en die ziet als het woord dat God tot ons richt, en zo de boodschap zoekt te verstaan, die God tot ons richt, terwijl de moderne exegese vooral een historisch-kritische studie van de tekst beoefent. Paus Pius XII heeft destijds het volgende gezegd: «Volgens de Algemene Leraar worden de argumenten die aan de gewijde theologie eigen zijn, ontleend aan teksten van de H. Schrift, want ons geloof steunt op de openbaring die aan de apostelen en de profeten gegeven is, die de canonieke boeken hebben geschreven. De commentaren van Thomas......zijn gekenmerkt door een zo grote diepgang, een fijn aanvoelen en de gave om te onderscheiden dat men deze onder de grootste theologische werken van de heilige moet rangschikken. Zij zijn een belangrijke bijbelse aanvulling van zijn andere doctrinaire geschriften».[1]
Een kenmerk van de exegese van Thomas is dat hij de teksten leest met op de achtergrond en als richtsnoer de uitleg die de Vaders en de traditie hebben gegeven. Vervolgens citeert hij ook vele zinsneden uit andere boeken van de H. Schrift die een bepaalde tekst toelichten. Op deze wijze wordt de gehele Openbaring betrokken bij het lezen van een bepaalde tekst, en wordt de H. Schrift haar eigen vertolker.
Thomas gebruikt uiteraard het hermeneutische beginsel dat men een duistere passage moet verklaren met behulp van wat de auteur op andere plaatsen schrijft en van zijn theologische leer in het algemeen. Het belangrijkste kenmerk van Thomas’ exegese is haar theologisch-dogmatisch karakter : Thomas gaat in op de dogmatische aspecten van de teksten, en hij verklaart termen zoals «zonde», «loskoop», «hoofd van het mystieke lichaam» in hun formele theologische betekenis.

Over inspiratie en revelatie is reeds in een vorig hoofdstuk gesproken. Omdat de H. Schrift het Woord van God, kan zij geen onwaarheden bevatten moeten wij bij bepaalde moeilijkheden wanneer een bijbeltekst in tegenspraak lijkt te zin met wat de wetenschap zegt, volgens Thomas concluderen dat, indien een wetenschappelijke stelling volstrekt evident is, wij de betreffende bijbeltekst niet goed hebben begrepen. Zijn er kleine verschillen in de wijze waarop de evangelisten een gebeurtenis verhalen, dan betekent het dat zij de een of andere bijzonderheid (van b.v. chronologische orde, of in het aantal) voor hen slechts een illustratie zijn van wat zij werkelijk belangrijk achter.[2]
Wat ook kenmerkend is voor de exegese van Thomas is dat hij de H. Schrift als het boek van de Kerk beschouwt, en men haar moet lezen en uitleggen in medio Ecclesiæ (in gemeenschap met de Kerk).. Augustinus schreef reeds dat de Bijbel gelezen moet worden in fide catholica[3]. Zonder de Kerk en buiten de Kerk is er geen ware interpretatie van de gewijde tekst. Wij moeten de Schriften verstaan volgens de leer van de Kerk, die hiervan een juiste kennis heeft.[4]Uiteraard bevat de H. Schrift de substantie van de goddelijke openbaring[5]en is zij aldus het fundament en de regel van het geloof.[6]Men kan er niets aan toevoegen of weglaten.[7]Men vindt praktisch de gehele theologie in de H. Schrift.[8]Wel bedenke men dat enkele leringen mondeling door de apostelen werden overgeleverd, met name met betrekking tot de sacramenten.[9]De Apostelen hebben het wezenlijke van de heilsboodschap in de Geloofsbelijdenis van de Apostelen samengevat. Deze geloofsbelijdenisen de andere symbola voegen niets aan de Schriften toe maar bevestigen deze en brengen datgene wat erin opgesloten ligt, tot uitdrukking[10]
Een volgende vooronderstelling van Thomas exegese is dat de H. Schrift een eenheid vormt in die zin dat alle boeken over Christus spreken.[11]Zo wijst Thomas erop dat de Psalmen over Christus en de Kerk spreken en de gehele H. Schrift bevatten. Alles wat de aartsvaders beleefden en deden heeft betrekking op Christus.[12]Wanneer Johannes schrijft dat Jezus zich heimelijk naar het Loofhuttenfeest begaf, wil hij daarmee aanduiden dat onder de gestalten van het Oude Verbond Christus verborgen gaat.[13]Het Oude Testament is tot het Nieuwe geordend, en niet omgekeerd. De woorden «opdat de schriften vervuld zouden worden» moeten niet finaal maar consecutief verstaan worden. Het Nieuwe Verbond is niet met het oog op het Oude geschreven, maar dit laatste is gericht op het Nieuwe.[14]
De exegetische methode van Sint-Thomas

a) In de eerste plaats moet het procédé van het indeling van de tekst vermeld worden, dat in Thomas’ dagen te Parijs gebruikelijk was. De indeling en de veelvuldige onderverdeling van de teksten was een didactische methode, die ook bij het lezen van de geschriften van Aristoteles toegepast werd. De vele onderverdelingen kunnen voor ons irriterend werken,[15]maar leveren ook grote voordelen op. Men wordt erdoor verplicht naar de gedachtegang en de leerstellige inhoud van een passage te zoeken. Er is altijd meer orde dan men aanvankelijk denkt. De indelingen zijn ook een steun voor het geheugen.
b)Na de indeling volgt de uitleg van de zin van een regel of paragraaf. Zoals Thomas dat doet in zijn commentaren van de werken van Aristoteles gaat hij geen enkele moeilijkheid uit de weg, en wordt elke regel onderzocht. Hij vermeldt ter toelichting een groot aantal parallelplaatsen uit andere gedeelten van het betreffende Bijbel-boek of uit andere boeken van de H. Schrift. De H. Schrift wordt de vertolker van de H. Schrift.[16]«Dit is overigens de methode van de middeleeuwse exegeten, die veel passages van buiten kenden; hun vocabulaire, hun stijl en de beeldspraak die zij gebruiken zijn op geheel ongedwongen wijze aan die van de Bijbel ontleend; woordenschat en beeldspraak van de H. Schrift zijn tot hun denken gaan behoren».[17]In zijn uitleg gebruikt Thomas ook de voornaamste hem bekende interpretaties door de Vaders en theologen vóór hem geopperd en geeft aan welke de voorkeur verdient met behulp van uitdrukkingen als «de tweede interpretatie is beter». Hij geeft eerst de letterlijke zin van de tekst om daarna ook de geestelijke zin aan te duiden. Aan zijn commentaar van de tekst voegt Thomas vaak dogmatische beschouwingen toe, waarin hij heterodoxe meningen en theorieën weerlegt. Een prachtig voorbeeld hiervan is de uitleg op het eerste hoofdstuk van het Evangelie volgens Sint-Jan waarin de christologische ketterijen uit de eerste eeuwen besproken en weerlegd worden.
c)Naast de indeling van een geschrift poogt Thomas ook de inhoud vanuit één centrale gedachte te benaderen. In zijn commentaren na 1258 geschreven plaatst hij als opschrift een bijbelcitaat, dat de hoofdinhoud van een werk in enkele woorden aanduidt. Zo heeft zijn commentaar op de Psalmen als opschrift Ecclesiasticus 47, 8 :«In al zijn werken bracht hij hulde aan de Allerhoogste in prijzende bewoordingen». Thomas merkt hierbij op dat David de lof van Christus bezingt en zich in lofprijzingen en smeekbeden uitdrukt. 1 Corinthiërs wordt gekenschetst door een zin uit Wijsheid 6, 22 : «Ik zal U mijn geheimen (sacramenta) niet verbergen». Dit heeft kennelijk betrekking op de Eucharistie waarvan in 1 Corinthiërs 11 sprake is. M.b.t. het Johannes-evangelie citeert Thomas Jesaja 6, 1: «Ik zag de Heer Jahwe op een verheven troon gezeten, Zijn gevolg vervulde het heiligdom». Hiermee wordt volgens Thomas aangeduid dat in zijn beschouwing van de goddelijke geheimen Johannes beschrijft hoe de godheid van Christus diens menselijke natuur vervult van waaruit de genade naar de mensheid stroomt.
De zin van de bijbelteksten

Voor Thomas zowel als voor de Vaders en de middeleeuwse theologen is de H. Schrift de maatstaf voor het geloof en het voedsel voor het geestelijk leven. Zoals Gregorius de Grote schrijft is zij het voedsel dat de mensen in de eindtijd zullen eten in het huis van Job.[18]Zij heeft een dusdanige diepte van zin dat zij stof biedt voor een nooit eindigende bezinning, want zij is vol van goddelijke wijsheid. De H. Hiëronymus spreekt in dit verband van een eindeloos uitgestrekt woud van betekenissen.[19]Volgens Gregorius vraagt het grote inspanningen haar schatten bloot te leggen, een opgave vergelijkbaar met het harde zwoegen van de vissers op de hoge zee.[20]
Bij de studie van de H. Schrift gaat het erom de zin terug te vinden die de gewijde auteur bedoelde uit te drukken, d.w.z. de letterlijke zin. Thomas noemt deze de intentio auctoris of de intentio libri. Reeds in zijn commentaar op Jesaja heeft Thomas duidelijke gekozen voor de interpretatie volgens de letterlijke zin, zoals hij dit ook in zijn meesterlijk commentaar op het Boek van Job zal doen.[21]Elke tekst heeft een letterlijke zin, die men altijd kan vaststellen. Nochtans is deze letterlijke zin niet altijd de woorden van een passage, maar bestaat ze in hun betekenis, waarop Hugo van Saint-Victor reeds gewezen had. Zelfs metaforen kunnen de letterlijke zin tot uitdrukking brengen.[22]
Thomas hecht grote waarde aan de woorden van de gewijde tekst. Wanneer in Ezechiel 14, 14 Jahwe zegt dat als er drie rechtvaardige waren zoals Noach, Daniel en Job hij hun tijdgenoten zou redden, dan ziet Thomas een aanwijzing dat Job wellicht toch een historische figuur is. - In de woorden van Jezus in Mattheus 22, 32 «Ik ben de God van Abraham, Isaak en Jakob», de God van levenden en niet van doden, ziet Thomas een argument ten gunste van de verrijzenis, want de zielen alleen van de patriarchen zijn geen «levende mensen».[23]Spicq merkt op dat van de middeleeuwse exegeten Thomas degene is die de meeste zorg aan de dag legt om de betekenis van de woorden te bepalen. Zijn analyses vallen op door hun nauwkeurigheid.

Wat een auteur wil weergeven, valt overigens niet altijd samen met de materiële woorden van de betreffende passage. Zo moet de precieze zin van Jezus’ woorden «Indien iemand je op de rechterwang slaat, bied hem ook je linkerwang aan» afgeleid worden uit de handelwijze van Jezus zelf, die, toen hij bij zijn ondervraging door de hogepriester geslagen werd, niet zijn linkerwang aanbood. De betekenis van de tekst is derhalve dat «wij bereid moeten zijn om iets dergelijks of iets nog ergers te verdragen indien dit nodig is.[24]Een ander voorbeeld is dat n.a.v. de dagen van de schepping (Genesis 1) Thomas noteerd dat het hier niet om telkens een tijdspanne van 24 uur gaat, maar om de verschillende wezens die God geschapen heeft aan te duiden.[25]
Sommige middeleeuwse exegeten voelden een zekere verlegenheid t.o.v. de letterlijke zin van teksten die onbenullig leken. Wat b.v. te denken van het verbod om een geitje in de melk van zijn moeder te koken (Ex. 23, 19)? Thomas merkt hierbij op dat er een letterlijke zin is en deze ook zijn bestaansgrond heeft. De reden voor de cultische voorschriften van het Oude verbond is enerzijds de eredienst van toen, en anderzijds de voorafbeelding van Christus.Het[26]feit dat Thomas zich zo krachtig ingezet heeft voor het bepalen van de letterlijke zin van de tekst heeft ertoe bijgedragen dat men in de exegese «de voorschriften van het Oude Verbond tot onderwerp van wetenschappelijke studie ging maken. Ook heeft Thomas wat de Vaders reeds zeiden verder ontwikkeld, nl. dat het Oude Verbond de geschiedenis van de godsdienstige opvoeding van de mens is».Het[27]ontdekken en formuleren van de letterlijke zin van het Boek Job was een dusdanige prestatie dat men toen reeds Thomas een luminare mundi noemde.

1.1 De diepten van de letterlijke zin

In zijn commentaar of het Johannesevangelie schrijft Thomas dat de woorden van Christus zo diep zijn en zozeer het menselijk verstand te boven gaan, dat wij deze slechts kunnen verstaan in de mate waarin God ze aan ons openbaart.[28]Elk Schriftwoord is afkomstig van het Eeuwige Woord en is vol wijsheid. Uit hoofde van de beperktheid van het menselijk verstand kennen zelfs de profeten niet alles wat de H. Geest in hun visioenen en handelingen heeft gelegd.[29]Schreef Augustinus niet reeds dat Johannes ons niet verteld heeft wat het goddelijke Woord is, maar erover spreekt zo goed als hij kan.[30]
Het is soms moeilijk de letterlijke zin van een passage te bepalen. Nemen wij als voorbeeld Mattheus 12, 31, waar sprake is van zonden tegen de H. Geest die niet vergeven kunnen worden. Thomas vermeldt de verklaringen die de Vaders vóór Augustinus hebben gegeven, dan de oplossing van Augustinus zelf, om hiervan tenslotte een gewijzigde vorm voor te leggen. Bij deze gelegenheid formuleert hij de volgende stelregel: datgene wat in de Bijbel op onbepaalde wijze gezegd wordt, hoeft niet noodzakelijkerwijze in een onbepaalde zin verstaan te worden. In het onderhavige geval gaat het veeleer om zonden uit boosheid bedreven. Om de letterlijke zin van een passage te bepalen, moet men met de bedoeling van de auteur, d.i. met wat hij wil zeggen, rekening houden.[31]
De wetenschappelijk-kritische exegese kan behulpzaam zijn om tot een beter begrip van de letterlijke zin te komen, en zij kan voor vergissingen behouden, maar de werkelijke zin van de Bijbel kan slechts in het licht van het geloof worden verstaan.[32]Inderdaad kan de diepere betekenis van de tekst die op het bovennatuurlijk heil betrekking heeft, slechts door degene die in het geloof van de Kerk staat, gekend worden.[33]Men kan dit toelichten met wat Thomas over Spreuken 8, 2 schrijft: «Toen de aafgrond er nog niet was, werd ik reeds voortgebracht». Deze tekst en Ecclesisaticus 24, 3 tonen dat het Woord door de Vader voortgebracht wordt vóór alle geschapen dingen.[34]Deze zin ontgaat degenen die zich slechts van de historisch-kritische methode bedienen.

In dit verband moet ook de vraag besproken worden of volgens Thomas teksten van de H. Schrift meer dan één letterlijke zin kunnen hebben. Het probleem stelde zich n.a.v. de vraag of God eerst de materie in het algemeen (b.v.vormloze materie) geschapen heeft en slechtst later bepaalde dingen zoals Basilius en Gregorius van Nazianze houden, of reeds aanstonds aan het begin de verschillende soorten van dingen gemaakt heeft (Augustinus). Het is duidelijk dat deze interpretaties verschillen en niet tegelijk waar kunnen zijn. Daarom kan de Bijbeltekst geen tweevoudige letterlijke zin hebben. Wel kan men zeggen dat God de kwestie onbepaald heeft gelaten en dat er daarom meer geldige mogelijkheden tot verstaan ervan kunnen zijn, door God gewild en toegelaten, want beide verklaringen erkennen dat God de Schepper van de materie en de wereld is.[35]Overigens wordt dit door Thomas uitdrukkelijk geleerd.[36]God heeft de mogelijkheid opengelaten om sommige teksten verder te bepalen of uit te werken, opdat eenieder zijn eigen verklaring erin terug zou vinden en zo de H. Schrift naderbij komen. Uiteraard is hier bedoeld een uitleg die niet met de leer van de H.Schrift of met de inzichten van de natuurlijke rede in tegenspraak is.
Naast deze uitleg van een niet geheel bepaalde zin van een tekst, kent Thomas ook een gebruik van de H. Schrift door de Kerk die teksten in een bepaalde zin verstaat en zo expliciet maakt wat impliciet erin vervat ligt. Dit is een verstaan van de H. Schrift onder de leiding van de H. Geest die de Kerk tot de volle waarheid leidt.
De geestelijke of mystieke zin

Sint Paulus heeft het principe opgesteld van het onderscheid tussen de letterlijke en de geestelijke zin: de allegorische betekenis van het Oude Verbond is Christus, want het is in zijn geheel tot Christus geordend. In het voetspoor van Paulus hebben de Vaders en theologen gepoogd de geestelijke of allegorische betekenis van alle teksten van het Oude Verbond te vinden. Hiëronymus merkt op dat we de schriftteksten «op geestelijke wijze moeten verstaan. Na de waarheid van de historische gebeurtenissen moet alles geestelijk verstaan worden».[37]Volgens Augustinus «ziet men het Oude Testament in het Nieuwe geopenbaard, het Nieuwe ligt daarentegen in het Oude onder een sluier bedekt».[38]De H. Schrift is het boek van de geheimen.[39]Deze grote kerkvader schrijft zelfs dat het geestelijke verstaan van de Bijbel de christelijke vrijheid is.

Volgens Gregorius moet alles in de H. Schrift allegorisch verstaan worden en dan toegepast worden op ons geestelijk leven (de zg. morele zin van de tekst).[40]In beginsel heeft de Kerk dit altijd erkend. Terwijl de Alexandrijnse exegeten onder invloed van platoniserende stromingen een sterke neiging tot allegoriserende exegese vertoonden, beperkten de theologen van Antiochië zich meestal tot de exegese van de letterlijke zin. In zijn voorwoord op zijn Psalmencommentaar merkt Thomas op dat wij de door de Vijfde Algemene Kerkvergadering veroordeelde dwaling van Theodorus van Mopsuestia moeten vermijden, die beweerde dat er in de boeken van het Oude Testament en de Profeten niets uitdrukkelijks over Christus gezegd wordt.

Iedereen in de Middeleeuwen aanvaardde in beginsel dat het Oude testament een geestelijke zin heeft. Men was overtuigd dat de letterlijke zin niet de enige reden was waarom God ons de Bijbelse geschriften had gegeven.[41]Zij gaven gevolg aan de uitnodiging van Augustinus: «Wij hebben de feiten gehoord. Laten we nu het geheim gaan zoeken».[42]Reeds in de eerste eeuwen begon men de geestelijke zin onder te verdelen Zoals Thomas dit met veel andere kwesties heeft gedaan, heeft hij ook een systematische uiteenzetting gegeven van de verschillende geestelijke betekenissen van de tekst, die de algemeen aanvaarde leer is geworden.

De allegorische zin is de betrekking die een passage heeft tot Christus en de centrale geloofswaarheden. De zg. morele zin is de toepassing van de tekst op ons zedelijk leven. Met betrekking tot deze morele zin dient opgemerkt te worden, dat Thomas herhaaldelijk noteert dat in bijbelteksten die voorschriften of aanmaningen aangaande het christelijk leven geven, deze vermaningen niet de geestelijke-morele zin, maar de letterlijke zin van de betreffende passages zijn.[43]Tenslotte zijn er teksten die iets beschrijven dat een voorafbeelding van het hemelse leven is. Hier spreken we van een anagogische zin.

Als de Schepper van de wereld kan God de dingen en historische gebeurtenissen zo ordenen dat zij verwijzen naar de realiteiten van het geloof en de genade. Dit betekent dat de geschiedenis van de wereld en van Israël, zoals deze in het Oude Verbond beschreven worden, nu in een nieuw licht komen te staan : zij verwijzen naar Christus, bevatten aanwijzingen voor het christelijk leven en kunnen soms een voorafbeelding zijn van de hemelse zaligheid. Aldus begrijpen wij beter de wonderbare samenhang van alles in Gods plan en buigen wij vol eerbied ons hoofd voor de H. Schriften, waarvan de rijkdom ons verstand te boven gaat.

1.2 De bijbelcommentaren van Sint-Thomas

Theologie beoefenen betekende in Thomas’ tijd vooral de Bijbel bestuderen.[44]Te Parijs volgden de studenten elke morgen een lectuurles over de H. Schrift, door een baccalaureus gegeven, een uiteenzetting over de Sententiae, eveneens door een baccalaureus, en een college over de H. Schrift van een magister. De vraag wanneer Thomas les gegeven heeft over Jesaja en Jeremia is nog niet definities beantwoord.[45]De traditionele datering van zijn college over het Evangelie volgens Mattheus tijdens zijn eerste periode te Parijs is onwaarschijnlijk. Veeleer stamt deze tekst uit de tweede periode te Parijs (1268-1272). Het commentaar is een zg. reportatio, d.w.z. een door een assistent opgetekend college dictaat.

Te Orvieto schreef Thomas als lector aan het klooster van de Dominicanen zijn magistrale commentaar op het boek Job, waarvan het centrale argument is dat de menselijke aangelegenheden door de goddelijke Voorzienigheid geleid worden. Origineel is het onderscheid dat hij maakt tussen de litteraire genres waarin Jobs antwoorden en overpeinzingen tot uitdrukking komen : een kortzichtige, menselijke en soms verbitterde manier van spreken ; opvattingen die met verstandelijk overleg worden geopperd ; uitingen door Gods ingevingen geïnspireerd. Het werk wordt als een van de beste bijbelcommentaren van Thomas beschouwd.[46]Parallel met dit commentaar schrijft Thomas het Derde Boek van de Summa contra Gentiles dat o.m. de leer van de goddelijke Voorzienigheid behandelt. Wellicht is Thomas toen hij aan het studiehuis Santa Sabine in Rome les gaf, ook begonnen aan zijn uitleg van de Brieven van Paulus, later voortgezet te Parijs en/of te Napels. Te Parijs heeft hij ook zijn prachtige commentaar op het Evangelie volgens Johannes geschreven. Mogelijkerwijze zal het voor de uitgave van deze commentaren in de Leonina vereiste onderzoek een nauwkeuriger bepaling van de tijd van het ontstaan ervan mogelijk maken.

Onder de bijbelcommentaren van Thomas betekent de Catena aurea een keerpunt. In dit werk dat hij op verzoek van Urbanus IV ondernam, brengt hij in korte citaten of samenvattingen de uitleg bijeen die de Vaders van de 4 Evangeliën gegeven hebben. Het werk munt uit door helderheid en zinvolle ordening; het brengt de meest waardevolle teksten bijeen over praktisch elk vers van de tekst, ook al worden deze citaten vaak ingekort en aangepast, dan blijft toch zoveel mogelijk de stijl en woordkeus van het origineel behouden. 57 Griekse en 22 Latijnse Vaders (en theologen) worden geciteerd. Thomas laat hen de letterlijk zin van de evangelie-tekst bepalen, maar ook de geestelijke zin wordt niet vergeten, dwalingen worden weerlegd, zodat het katholiek geloof bevestigd wordt. Dit alles is nodig, zo schrijft hij, want van de Evangeliën ontvangen wij de norm van het katholieke geloof en de regel voor het gehele christelijke leven.[47]
Keren wij nu terug naar Thomas’ eigen exegetische geschriften. Men heeft zijn commentaren op het Johannesevangelie en de Brieven van Paulus «de meest rijpe vrucht en het volmaaktste voorbeeld van de middeleeuwse scholastieke exegese» genoemd.[48]Het commentaar op de eerste vijf hoofdsstukken van dit evangelie werd door Thomas eigenhandig geschreven, de rest werd door een assistent tijdens de colleges genoteerd, en door Thomas herzien voor publicatie (dit wordt dan een reportatio of lectura genoemd). Dit commentaar is altijd als een van de beste geschriften van Thomas beschouwd. De leer van de H. Drieëenheid, het geheim van het intieme goddelijk leven, de liefde van God voor de mensen en die van Christus voor zijn leerlingen worden door Thomas in het middelpunt geplaatst.

Men moet in dit commentaar geen historische of filologische bijzonderheden gaan zoeken. Het is een theologische uiteenzetting die de zin van de tekst en de leer die erin vervat ligt poogt weer te geven met hulp van de inzichten van de kerkelijke traditie. Aldus worden in dit werk Augustinus 373 maal, Chrysostomus 217 en Origenes 95 maal geciteerd.[49]Tomas geeft de letterlijke zowel als de geestelijke zin van de verschillende passages aan en weerlegt, met name in zijn commentaar van het eerste hoofdstuk, de ketterijen van Apollinaris, Arius, Pelagius, de Manicheeërs, Nestorius en anderen. Thomas beoogt de lezer te brengen tot de overweging van Gods grootheid en goedheid. Onze kennis van het Goddelijk Woord zal volkomen zijn wanneer wij in de schoot van de Vader aankomen om er door de liefde van de Vader voor zijn Zoon omarmd te worden.[50]
Thomas verdeelt het Johannesevangelie in twee delen in, die grotendeels samenvallen met de indeling die moderne auteurs geven : het Boek van de tekens (hfds 1-12) en het Boek van de verheerlijking (hfds 13-20). Hoofdstuk 21 wordt als een aanhangsel beschouwd. Omdat Thomas een buitengewone kennis van de gehele H. Schrift en van de werken van vele Vaders bezat en tevens kon beschikken over een arsenaal van diepzinnige inzichten, is zijn commentaar zeer waardevol geworden. Hieraan moet men toevoegen dat Thomas een heilige was wiens geestelijk voedsel uit de overweging van de Bijbel bestond. Ook wist hij ons bemind door de liefde van Christus, waarvan Johannes spreekt. Jezus zegt dat Hij de weg, de waarheid en het leven is (Joh. 14, 6) : «Wil je weten, welke weg je moet volgen, aanvaard Christus. Zoek je, waarheen te gaan en waar te verblijven, houd je aan Christus vast, omdat Hij het leven is»[51]. Thomas ziet een nauw verband tussen het lijden en de verheerlijking van Christus in de verrijzenis, en kent ook een grote plaats toe aan de H. Geest : de Zoon leert ons de waarheid , de H.Geest maakt dat wij deze kunnen aanvaarden; Hij laat ons alles kennen, leidt ons en richt onze verlangens op geestelijke zaken.[52]Ook onderstreept Thomas dat het evangelie door een ooggetuige is geschreven en historisch gezien zeer nauwkeurig is.

Na het vaststellen van de letterlijke zin, gaat Thomas uitvoerig in op de geestelijke zin van veel passages. De woorden en handelingen vaan Jezus verwijzen naar een diepere werkelijkheid, d.w.z het goddelijk leven, de genade, de sacramenten en het geestelijke leven van de christen. In dit verband zou men op het gebeuren tijdens de bruiloft te Kana kunnen wijzen, of op de verschijningen van de verrezen Heer. Wanneer Jezus zelf op de oever van het meer vis roostert, is de geestelijke zin hiervan, dat in zijn lijden Christus door het vuur van de liefde verteerd werd. Met deze verklaringen raakt Thomas aan een mystiek verstaan van de tekst.[53]
De commentaren op de Brieven van Sint Paulus behoren tot Thomas’ grootste theologische werken.[54]Destijds had M.J. Lagrange al gezegd dat het «overbodig is de diepgang en theologische precisie van het commentaar op de Brief aan de Romeinen te prijzen. Niemand heeft beter dan Thomas het verband tussen de verschillende argumenten en hun draagkracht gezien. Men heeft echter minder oog gehad voor (Thomas/) verrassende breedheid van visie, die aan de exegeten veel speekruimte laat. Dikwijls vermeldt Thomas mogelijke interpretaties zonder zich uit te spreken».[55]Het commentaar op de Brief aan de Romeinen en op 1 Cor. 1-11, zijn wellicht te Napels ontstaan. Als bronnen heeft Thomas vooral de Glossa ordinaria en ook de Glossa van Petrus Lombardus gebruikt, en verschillende Vaders geraadpleegd, zoals Augustinus, Hiëronymus, Gregorius de Grote, Chrysostomus en anderen. Ook Dionysius en Origenes zijn aanwezig. Wat de ordening van de Brieven van Paulus betreft ziet Thomas deze in Hic est liber, zijn eerste les als magister, als volgt : de Brief aan de Romeinen beschouwt de genade op zich, 1 Korinthiers als ons door de sacramenten, 2 Korinthiërs als ons door de bedienaren van de sacramenten gegeven. Galaten handelt over de genade in zover zij de riten van het Oude Verbond vervangt, terwijl Efesiërs en Filippenzen over de genade in de opbouw en bloei van een christelijke gemeenschap spreken. Kolossenzen handelt over de genade in de strijd tegen dwalingen. 1 en 2 Tessalonicenzen spreken over de genade in zover zij ons sterkt in de huidige moeilijkheden en voorbereidt op nog komend leed. Terwijl 1 & 2 Timotheus & Titus aanwijzingen gevenn hoe degenen die de genade hebben ontvangen geleid, en hoe het kwaad tegengegaan moet worden, handelt de Brief aan de Hebreën over de genade van het Hoofd van de Kerk, Christus.

Wat Thomas’ persoonlijke relatie met Paulus betreft, geeft Thomas aan het begin van de Brief aan de Romeinen een prachtige lofrede op de apostel die «een vat van uitverkiezing» is. Inhoudelijk gezien bestaat de brief aan de Romeinen in een serie lessen in dogmatische en moraaltheologie, handelend over de persoon van Christus, zijn heilswerk en verhouding tot het Oude Verbond. Thomas geeft een uitvoerig commentaar op de teksten over de natuurlijke godskennis en de zedenwet, over het geheim van de menswording Gods, de verhouding tussen de Oude en de Nieuwe Wet, de predestinatie en de uitverkiezing van Israël, de christelijke vrijheid en de plicht van naastenliefde. Aan het begin van zijn brief schrijft Paulus dat Gods Zoon volgens het vlees van David stamt en tot Gods Zoon gemaakt is. Deze woorden hebben aanleiding gegeven tot een serie van dwalingen die door Thomas besproken worden (Photinus, Sabellius, Arius, de Manicheeërs, enz.). Na een prachtige uiteenzetting over de natuurlijke godskennis, behandelt Thomas de spanning tussen de Oude Wet met zijn voorschriften en een leven volgens de geest. Sommige exegeten hebben «geest» verstaan als de geest van de christenen, maar Thomas heeft begrepen dat het hier om de tegenstelling gaat tussen het leven volgens de Wet en het leven volgens de H. Geest. Dit alles wordt door Thomas helder voorgesteld, waarbij moeilijkheden van de tekst opgelost worden. Men kan het commentaar van Thomas niet lezen zonder er diep van onder de indruk te raken : wij bevinden ons tegenover het mysterie van de uitverkiezing en de genade, en beseffen onze algehele afhankelijkheid van Gods barmhartigheid. Ook het geloof is een gave Gods.[56]
Om Thomas’ opvatting over het gebruik van de wijsbegeerte als hulp in de gewijde theologie te kennen, is het van belang na te gaan hoe Thomas de kritiek van Paulus op de zg wijsheid van deze wereld verstaat.[57]Thomas merkt op dat op zich beschouwd de menselijke rede de geloofswaarheden niet kan kennen, maar dat zij hulp kan verlenen bij de uitleg. Overigens hebben verschillende Vaders de geloofsleer in teksten van een sierlijke stijl uiteengezet, zoals b.v. Hiëronymus en Augustinus, die de geloofswaarheden in een mooie en aangename taal hebben voorgesteld. Met sapientia verbi bedoelt Paulus de wijze van spreken van degenen die hetgeen de menselijke rede te boven gaat niet willen aanvaarden. Paulus’ woorden in Kolossenzen 2, 8 («Past op dat niemand U meesleept door de wijsbegeerte of ijdele drogredenen, die op de overlevering van mensen gegrond zijn»), worden door Thomas uitgelegd in deze zin dat het kan gebeuren dat de een of andere wijsgeer ons misleidt, waanneer hij datgene wat tot het geloof behoort, wil meten volgens natuurlijke principes en niet volgens Gods wijsheid.

Samenvattend kunnen we zeggen dat degene die over deze bijbelcommentaren van Thomas mediteert, onder de indruk komt van het buitengewone gemak, waarmee Thomas telkens met talloze bijbelteksten toelicht wat Paulus schrijft. Deze citaten zijn niet louter decoratief. Hun werkelijke finaliteit is een andere. Het is Thomas bedoeling de teksten die hij bestudeert in het geheel van het Corpus paulinum en van de gehele H, schrift te plaatsen, om op deze wijze de eenheid van de goddelijke openbaring te laten zien. De studie van een tekst wordt daardoor een geestelijke excursie door de H. Schrift. In de moderne exegese zoekt men meestal naar de precieze zin van een woord of vers. Vindt men deze dan is een zekere intellectuele nieuwgierigheid bevredigd, maar met de talloze bijbelcitaten van Thomas is staan wij voor iets anders. Wij mediteren over wat God ons wil doen weten. Wij openen onze geest terwijl een gedeelte van de heilsgeschiedenis zich voor ons afspeelt. Zoals Dahan dit zegt, zijn de commentaren van Thomas zo helder en sober van stijl, zo rijk aan inhoud en zo vol van de gehele Bijbel en van godsvrucht en ook gekenmerkt door hun verwantschap met de moeilijke denkwijze van de Apostel, dat lezing ervan vergezeld gaat van een grote geestelijke vreugde vanwege de diepte van gedachten en de schoonheid van de leer die erin vervat liggen.[58]

1.3 Voetnoten

  1. Toespraak van 14 Januari 1958, AAS 50 (1958), 151-152.
  2. Vgl. Expos. in evang. Ioann., c12, lectio 3. Cf ook n. 2326 over de verloochening van Petrus.
  3. De Genesi ad litteram, 12, c. 37, 70.
  4. S.Th. II-II, 5, 3 ad 2: «Omnibus articulis fidei inhaeret fides propter unum medium, scilicet propter veritatem primam propositam nobis in Scripturis secundum doctrinam Ecclesiæ intelligentis sane». Zoals E. Persson noteert moet volgens Thomas de leer van de Kerk verstaan worden als zijnde wezenlijk de uitleg van de Bijbel». Zie zijn Sacra Doctrina. Reason and Revelation in Aquinas, Oxford 1970, 70.
  5. S.Th I, 1, 5.
  6. S.Th. III, 55, 5; II-II, 5, 3.
  7. In Evang. Ioan., c. 21, lectio 6.
  8. In Epist. beati Pauli, proemium.
  9. S.Th. III, 25, 3 ad 4 ; 64, 2 ad 1.
  10. S.Th II-II, 1, 9 ad 2.
  11. Zie het voorwoord op het Commentaar op de Brief aan de Romeinen en dat op de Psalmen
  12. Super evang. Ioan., n. 560.
  13. Ibidem, n. 860.
  14. Ibid,, n. 2447.
  15. Vgl. C. Spicq, «Thomas exégète», in DTC 15/ 1, col 716,
  16. Zie ook W. Valkenberg, Did not our Heart Burn! Place and Function of Holy Scipture in the Theology of Aquinas, Utrecht 1990, p. 259vv.
  17. C. Spick, «Esquisse...», 224.
  18. Moralia 36, c. 14, 26.
  19. Epist. 64, 21: «Infinita sensuum silva».
  20. Comm. op 1 Koningen, voorwoord (PL 79, 19AC).
  21. Zie notre Introduction au Thomas d’Aquin. Commentaire sur Isaïe, Paris, 2011, xx1: «Or, nous avons vu que saint Thomas, tout en reconnaissant que certains textes sont à lire dans un sens spirituel, cherche néanmoins à valoriser autant que possible et en premier lieu le sens littéral» et L. Elders, «Le Commentaire de saint Thomas sur le Livre de Job», in Sur les traces de saint Thomas théologien, Paris 2009, 85-121, p. 86:«Cela a été une prouesse pour Thomas de rédiger un commentaire magnifique du sens littéral, dans des circonstances aussi difficiles, les autres commentaires du Livre de Job y ayant en grande partie échoué».
  22. Zie B. Smalley, The Study of the Bible in the Middle Ages, Oxford 1952, 101 :«Living a century before St. Thomas, Hugh seems to have grasped the Thomist principle that the clue to prophecy and metaphor is the writer’s intention; the literal sense includes everything which the sacred author meant to say».
  23. In IV Sent., d. 43, a. 1, ql. 1 ad 2.
  24. In evang. Ioan.., c. 18, lectio 4, No 2321.
  25. Comment. in Librum Iob, c.2 (Leonina, vol. 26, p. 26).
  26. S. Th. II-II, 102, 2.
  27. Smalley, o.c., 306.
  28. C. 13, lectio 5, No 1816.
  29. S.Th. II-II, 173, 4.
  30. Super evang. Ioan., tr. 1, 2: PL 35, 1379. Cf. S. Th. I, 1, 10.
  31. Quæstio disp. de Malo, q. 3, a. 14. Cf. Expos. in1 Tim, c. 1, l. 2, waar sprake is van de intentio apostoli..
  32. S. Th. II-II, 1, 4 ad 3.
  33. Zie A. Gardeil, Le donné révélé et la théólogie, Paris 1910, 218
  34. S.c. G. IV, 4 en 12. Zie J.Antonio Fidalgo, « Hermenéutica bíblica de santo Tomás de Aquino», in Biblia y Hermenéutica : VII Simposio internacional de teología, Pamplona 1986, 477-486.
  35. Q.d. de potentia, q. 4, a.1.
  36. S. Th. I, 1, 10:«... ita nulla confusio sequitur in Sacra Scriptura cum omnes sensus fundentur super unum sensum, scilicet litteralem».
  37. In Isaiam prophetam, prol. (PL 24, 20 B).
  38. Enarratio in Ps. 105, n. 36.
  39. Contra Julianum, VI, 7, 20.
  40. Super Ezechileme, II, 2, 15.
  41. H. de Lubac, Exégèse médiévale, I, 484.
  42. In Ioan. evangelium, tract. 50, 6: «Factum audivimus, mysterium requiramus».
  43. Uitvoerig wordt dit behandeld in Quodlib., q. 6, art.1, 2 & 3. en in de laatste artikelen van S.Th. I, 1.
  44. Vgl.Quodlib. VII, art. 2 : er zijn vier typen van geestelijk werk: dat van een rechter; de prediking; het koorgebed en de studie van de H. Schrift. Voor het gebruik van de Bijbel in het onderricht, zie H. Denifle, «Quel livre servait de base à l’enseignement des Maîtres en théologie à l’Université de Paris?», Revue thomiste 2(1894), 129-161.
  45. Zie nu de uitgave Thomas d’Aquin. Commentaire sur Isaïe, Paris 2011, met onze inleiding,pp. 9-22.
  46. Zie «Le comentaire sur le Livre de Job», in L. Elders, Sur les traces de saint Thomas théologien, Paris 2009, 85-122.
  47. Catena aurea, I, No 468.
  48. C. Spicq, «Thomas exégète», in DTC XV / 1, col. 695.
  49. Naar J. Weisheipl, «The Johannine Commentary of Friar Thomas», in Church History 45 (19760, 185-195.
  50. O.c., No 218-222).
  51. No 1870.
  52. No 1959.
  53. M.-D. Philippe, Saint Thomas d’Aquin. Commentaire sur l’Évangile de saint Jean, Préface, Nice, 1978, 42.
  54. I.M.Vosté, «S. Thomas Aquinas epistularum S. Pauli interpres»,Angelicum 20 (1943), 276.
  55. Saint aul. Épître aux Romains, Paris 1916, p. xi.
  56. Zie «L’actualité de la Lettre de saint Paul aux Romains selon la Lecture super Epistulam ad Romanos de saint Thomas d’Aquin», in L.Elders, Sur les traces de saint Thomas d’Aquin Théologien, Paris 2009, 123-166.
  57. In 1 Korinthiërs,hfd. 1 & 2.
  58. Zie G. Dahan in Thomas d’Aquin. Commentaire de la Deuxième Lettre aux Corinthiens. Introduction par Gilbert Dahan, traduction par Jean-Éric Stroobant de Saint-Eloy, Paris 2005, xxiii.
Personal tools