Het geheim van de drie goddelijke Personen

From Elderswiki

Jump to: navigation, search
Main Page Capita Selecta

1 Het geheim van de Drie Goddelijke Personen

Toen Hegel in het jaar 1806 uit Jena moest vluchten, vestigde hij zich in Bamberg en vond werk als redacteur van een krant. Zoals bekend is een centrale gedachte van zijn filosofie dat de geest (ook onze geest) de geschiedenis begrijpt, in herinnering roept om dan als begrijpende geest tot zichzelf terug te keren. Deze terugkeer, zo denkt hij, wordt op een symbolische wijze uitgedrukt in het geheim van de drieëne God: in de Zoon treedt de Vader buiten zich zelf, om dan door de H. Geest weer tot zich zelf terug te keren. Deze psychologische duiding van het mysterie van de goddelijke personen is in zoverre niet zo bevreemdend wanneer men bedenkt dat het geloofsmysterie van de H. Drieëenheid in de 18de eeuw bij velen in Europa niet langer een centrale plaats innam. Kant dacht b.v. dat het voor het gewone leven zonder betekenis was. Schleiermacher zag er een poging in om de verschillende elementen van onze eigen ervaring een uitdrukking te geven. Ook in de negentiende en twintigste eeuw heeft deze geringschattende opvatting zich verder verbreid. Adolf von Harnack beweert in zijn Dogmengeschichte dat het geloof aan de H. Drieëenheid in het Nieuwe Testament niet te vinden is. Meer recentelijk (midden 20ste eeuw) zegt Paul Tillich dat de Drieëenheid een gedachte-constructie is die voor het geloof geen wezenlijke betekenis heeft. Andere auteurs beweren dat dit geloofsgeheim nooit geopenbaard is, of slechts van secundair belang is. De afkeer van de reformatoren om over Deus in se te spreken heeft ertoe geleid dat men van God niet als een wezen sprak, maar als een gebeuren. Zo beweert W. Pannenberg dat God als geschiedenis gedacht moet worden. Over God zoals Hij in zich is, kunnen we nauwelijks iets zeggen .Veel katholieken weten ook niet goed wat met dit geloofsgeheim te beginnen, ofschoon de liturgie heel uitdrukkelijk tot de verering van de drieëne God oproept. Een interessante anecdote is dat toen de H. Gregorius van Nazianze zich wilde terugtrekken als bisschop van Constantinopel, een van de christenen hem zei: «Vader, U neemt de H. Drieëenheid van ons weg». Toen besloot Gregorius nog enige tijd aan te blijven, - een voorval dat de dag van vandaag wel nauwelijks denkbaar is. -Toch is dit geloofsgeheim het middelpunt en de grondslag van ons geloof : het werpt licht op de schepping en verlossing. De drieëne God is het einddoel van onze reis door het leven.

Terwijl de Griekse Vaders zich intensief. met de verkondiging en de verdediging van de H. Drie-eenheid bezig hielden, heeft in het Westen de H. Augustinus de meest indrukwekkende poging gedaan dieper in dit mysterie door te dringen. In zijn jongere jaren begon hij het meesterwerk De Trinitate te schrijven, voltooide dit echter eerst op hoge leeftijd. In de eerste boeken verzamelt hij alles wat de Bijbel er over zegt, om dan in de tweede helft van zijn werk uitleg, analogieën en geloofsverdediging te geven. Het traktaat is de uitdrukking van het streven van het gelovige hart dieper door te dringen in wat God geopenbaard heeft (fides quærens intellectum). In de 12de en 13de eeuw heeft de theologie een grote ontwikkeling doorgemaakt en werd het menselijk verstand geheel in dienst van het geloof geplaatst. Men ging meer en meer de wetenschappelijke methode van Aristoteles gebruiken en paste de grondbegrippen van de filosofie toe bij de analyse van het geloof. De theologen probeerden God meer met analoge bewijzen dan door middel van symbolische vergelijkingen te verstaan. Deze ontwikkeling bereikte in Thomas zijn hoogtepunt en onovertroffen speculatieve volmaaktheid. Nu heeft men wel beweerd dat Thomas aan de psychologische interpretatie van Augustinus een ontologische draai gegeven heeft, en dat hij uit zijn begrip van God als het Ipsum esse per se subsistens de voortkomst van de goddelijke personen afgeleid zou hebben. Overigens zou men in het Latijnse Westen dit al eeuwen gedaan hebben, met name op grond van de strijd tegen de Arianen, tegen wie men de eenheid van de goddelijke personen moest verdedigen. Augustinus zou ook in deze traditie gestaan hebben. Zo beweert b.v. de uitgever van het derde deel van de Deutsche Thomas Ausgabe dat Thomas meer geïnteresseerd is in Gods wezenheid dan in de drie goddelijke personen. Het is inderdaad een feit dat Thomas schrijft dat we, nadat we wat tot het goddelijk wezen behoort, bestudeerd hebben, we nu moeten nagaan wat op de drie goddelijke personen betrekking heeft, en zo doende eerst hun voortkomst, dan de betrekkingen van oorsprong, en tenslotte de personen moeten bestuderen. Ook een theoloog van de orthodoxe christenen, V. Lossky, benadrukt dit , en men zou op deze wijze het dogma van de H. Drieëenheid een andere zin geven, en de Franse Dominicaan H.-F. Dondaine beschouwt de goddelijke personen als de bloeiende vruchten van het ene goddelijke wezen.

Maar bij een nadere beschouwing blijkt deze wijze van voorstelling onjuist te zijn. Thomas wil b.v de uitdrukking essentia generat niet gebruiken. Als we zeggen dat “God verwekt” bedoelen we dat de Vader de Zoon verwekt en schrijven we niet, zoals vele theologen, de voortkomst van de Zoon en de H.Geest aan het goddelijk wezen toe. Maar Thomas zegt dat generatio en spiratio slechts van een persoonlijk bestaand wezen gezegd kan worden. De Zoon, zo Thomas, bezit de goddelijke natuur als Zoon, en heeft derhalve niet het verwekken (generatio). In zekere zin gaan de Zoon en de H. Geest vooraf aan generatio en spiratio. De drie goddelijke personen zijn het grond-gegeven. We moeten daarom in plaats van te vragen hoe in de eenheid van God drie personen kunnen bestaan, nagaan hoe de in de openbaringsbronnen genoemde drie goddelijke personen zich van elkaar onderscheiden omdat God één is.. Sint-Thomas heeft de sleutel daartoe in de “voortkomst”(processiones) gezien, en zo begint hij zijn traktaat (Q. 27) met de processiones. In de H. Schrift spreken verschillende teksten hiervan, b.v. Jn 8, 42 : «Ik ben van God uitgegaan»; Ps 2,7 : «Ik heb je heden verwekt»; Jn 14,16: «Ik zal de Vader vragen en Hij zal jullie een andere helper zenden». Het feit dat er processiones zijn In God wordt niet bewezen, doch vermeld en geduid. Nu laat Thomas zien dat deze processiones de eenheid Gods niet te niet doen: de Zoon wordt woord, beeld, wijsheid genoemd, d.w.z. zijn persoon-zijn staat in verbinding met kennis, en daarom moet hier “verwekken”(Pater generat) niet in verband gebracht worden met een biologisch vaderschap, doch met wat voor ons het hoogste in de schepping is, nl. de kennis. Nu is volgens de kenleer van Aristoteles het gekende één met de kenner (unio omnium maxima). Zodat de Zoon en de Vader volkomen één zijn in wezen. Maar dat wat in God verwekt wordt is een persoon, en gaat daarom verre uit boven de vorming van een begrip (keninhoud) door ons. Thomas kan hier teruggrijpen op wat hij in het traktaat De Deo Uno geschreven had, nl. dat in God kennen en zijn hetzelfde zijn. - Uiteraard gaat het hier om een analogie van wat in de schoot van de H. Drieëenheid plaats vindt, maar de analogie is behulpzaam om aan te duiden dat in God éénheid van Gods wezen (substantie) en meervoud van personen niet onmogelijk geacht moeten worden.

Wat de voortkomst van de H. Geest betreft schrijft Thomas dat het object, dat door het verstand aan de wil wordt voorgesteld nagestreefd en gewild wordt, d.w.z. er ontstaat in de wil een neiging tot het voorgestelde, en -dit is het nieuwe - is het beminde aanwezig in degene die bemint (amatum in amante). Deze aanwezigheid is niet als die van het gekende in de kennende persoon maar een gerichtzijn op, zich bezighouden met het beminde. Thomas wil hier niets “bewijzen” maar slechts een weg wijzen om beter te verstaan hoe de liefde tussen de Vader en de Zoon leidt, uitbloeit tot de Derde goddelijke Persoon.[1]Geestelijke liefde is uiteraard vriendschap, zodat de H.Geest de band tussen Vader en Zoon is.

Thomas wijst er op dat deze processiones in God geen activiteiten van Gods wezen zijn, maar van de goddelijke Personen. De Vader, de Zoon en de H.Geest komen in de eerste plaats. Maar nu stuiten we op een nieuwe moeilijkheid : de goddelijke Personen zijn van elkaar onderscheiden, zoals het geloof leert; hoe kunnen zij dan identiek met Gods ene wezen zijn? De Arianen spraken van een werkelijk onderscheid tussen Gods wezen enerzijds en de personen van de Zoon en de H. Geest anderzijds. Om dit geheim enigszins te verhelderen gebruikt Thomas (zoals Johannes Damascenus aangeduid had) de metafysiek van de betrekkingen. Wij kennen relaties van gelijkheid en van verschil, maar ook die tussen oorzaken en effecten. Omdat er in God verwekken en beminnen (spiratio) zijn, zijn er ook betrekkingen tussen voortbrenger en voortgebrachte, maar in tegenstelling tot relaties in de geschapen wereld, zijn de betrekkingen in God geen accidentiën maar identiek met God (relationes subsistentes). In God is er dus een reëel op elkaar betrokken zijn, een tegenover elkaar staan.

Nu leidt dit tot een nieuwe moeilijkheid : dingen die met eenzelfde derde ding identiek zijn (bv. A=B en C=B) zijn ook aan elkaar gelijk (A=C). Het antwoord is dat dit laatste niet het geval is wanneer A en C volgens hun begrip van elkaar onderscheiden zijn. Een voorbeeld kan dit verduidelijken : een activiteit is een verandering (beweging), en ondergaan (passio) is dat ook, maar toch zijn activiteit en ondergaan niet hetzelfde. Zo is de Vader het goddelijk wezen als grond en uitgangsprincipe, de Zoon is het in zoverre hij uit de Vader geboren wordt. Natuurlijk is deze uitleg alleen dienstig om duidelijk te maken dat er geen contradictie in God is als we zeggen dat Vader en Zoon het ene goddelijke wezen zijn, maar wij begrijpen het geloofsgeheim niet.

Tenslotte verklaart Thomas de term persoon. Vanwege de oorspronkelijke betekenissen van de term hypostasis bestond het gevaar dat men elk van de drie goddelijke Personen als op zich bestaande realiteiten ging beschouwen, een gevaar waarop de H. Anselmus nog wees. Maar Thomas aanvaardt de term en schrijft dat persoon betekent : degene die zelf bestaat en in zichzelf het bestaan heeft in een met verstand begaafde natuur.

Omdat God alle volmaaktheden in zich bezit, kan het persoon-zijn ook van Hem gezegd worden Sth. I, 29, 3 :«persona significat id quod est perfectissimum in tota natura, scilicet subsistens in rationali natura». Maar als “persoon” het zijnde dat in en uit zich zelf bestaat aanduidt, hoe kan het dan van de goddelijke Personen gezegd worden, die toch niet los van elkaar bestaan. Thomas antwoordt dat het op zichzelf bestaan en onderscheiden van andere dingen in God op andere wijze verwerkelijkt wordt, nl. als relatie van oorsprong en voortgebracht en deze relatie bestaat op zich. Daarom betekent “persoon”in God direkt en rechtstreeks deze relatie in zoverre ze in zichzelf rust, en indirect het goddelijk wezen, dat de Personen bezitten en zijn. De uitleg van Thomas gaat tot aan de grens van wat ons verstand, door het geloof verlicht, kan begrijpen en verduidelijken van het mysterie van de H. Drieëenheid.

Wat de kenbaarheid van het mysterie van de H. Drieëenheid betreft dachten in de vroegere middeleeuwen sommige theologen dat zij het bestaan ervan met het natuurlijk verstand konden aantonen. B.v. Abaelardus, en wellicht ook in enkele teksten, de H. Anselmus. De School van Sint-Victor heeft eveneens de Drieëenheid willen bewijzen,[2]maar Thomas wijst dit met klem af. Met de kerkvaders schrijft hij dat dit geloofsgeheim ver uitgaat boven ons natuurlijk verstand : in onze natuurlijke kennis van God zijn wij op de schepselen aangewezen en kunnen we slechts zo ver komen als de schepselen het ons wijzen. Nu zijn de schepselen effecten van God, en is de activiteit van God naar buiten, aan het ene goddelijke wezen eigen. Daarom blijven wij in het donker m.b.t. dit geloofsgeheim, tenzij God het openbaart, zoals dit ook het geval is met de menswording Gods, de genade orde en de verheerlijking. Wel kunnen wij aantonen dat er geen tegenspraak is tussen wat God heeft geopenbaard en de eisen die het menselijk verstand ons stelt.

Sommigen zeggen dat als het geheim van God dermate boven ons verstand uitgaat, wij er ons niet mee bezig hoeven te houden : de theologie moet daarom vooral aardse dingen bestuderen. Thomas antwoordt dat de beschouwing van de geloofsgeheimen daarom zo nodig is, omdat ze ons leert op juiste wijze over het aardse leven te denken, en vooral beter te beseffen dat door de Zoon Gods ons het heil gebracht is en dat door de H. Geest in ons voltooid en verwerkelijkt wordt.- Het ontstaan van de wereld vindt zijn model en doel in dit mysterie en in de liefde waarmee Vader en Zoon zich wederzijds beminnen in de H.Geest. De schepping van de wereld en de redding van het mensdom vinden hun oorsprong in dit vruchtbare goddelijke leven. De schepping van de wereld, van de sterrenhemel en van de mens is als een bleke echo van de eeuwige geboorte van de Zoon, de eerstgeborene van de gehele schepping. Zoals de Zoon zich in de liefde van de H. Geest aan de Vader schenkt, moeten wij schepselen in en door de H.Geest ons aan God geven en tot Hem terugkeren. De zin van de geschiedenis van het mensdom is geen andere dan deze terugkeer naar God. Wij zijn gedoopt in de naam van de drieëne God en als we gestorven zijn tekent de priester nog een kruisteken op onze doodskist om zo het einddoel van onze levensweg aan te duiden.

1.1 Voetnoten

  1. In zijn Expositio in Boetii De Trinitate, q. 2, a. 3, zegt Thomas dan ook dat deze uitleg slechts een pogen is «ad notificandum per aliquas similitudines ea quæ sunt fidei».
  2. Hugo van St. Victor, De sacramentis, I, 3, 19; Richard van St.Victor, De Trinitate I, 4.
Personal tools