God als Vader

From Elderswiki

Jump to: navigation, search
Main Page Capita Selecta

1 God als Vader

Beschouwen we nu de goddelijke personen afzonderlijk. De naam Vader wij aan God geven betekent in de eerste plaats dat God de Schepper van de wereld en van de mens is. De schepping van de wereld is de gemeenschappelijke werking van de Drie Goddelijke personen, maar wordt in het bijzonder van God de Vader gezegd. Men gebruikt de naam “God onze Vader” om de H. Drieëenheid aan te duiden.[1]God wordt in het bijzonder ònze Vader genoemd vanwege het feit dat wij gemaakt zijn naar Gods beeld en gelijkenis, hetgeen niet gezegd wordt van de lagere schepselen. Deuteronomium 32, 6 zegt: «Is het niet de Vader die je geschapen heeft. Hij die zelf je vormde?» Thomas voegt hieraan toe dat God in een meer volle betekenis onze vader is dan onze ouders, want Hij heeft onze zielen gemaakt.[2]Naarmate onze gelijkenis met God groter wordt door de genade en onze zedelijke vervolmaking, worden wij in vollere zin kinderen Gods.[3]God is ook onze vader in zoverre Hij ons opvoedt en in zijn voorzienigheid voor ons zorgt. Meer dan dertig maal citeert Thomas Jacobus 1, 17: «Alle kostbare gaven en elk volmaakt geschenk komt tot ons vanuit den hoge, van de Vader van het Licht». De meest waardevolle gave is die van ons bestaan : God houdt ons in het bestaan en helpt ons om te werken en handelen.[4]De naam Vader drukt beter een verhouding van liefde, zorg en vertrouwen uit dan de naam God. Weliswaar is God in dit leven voor ons verborgen en voelen wij ons klein en gering ten overstaan van hem. Tenslotte hebben wij in het NT God ook leren kennen als de Vader van Jezus Christus. Niemand wist dat, zijn enige Zoon zelf heeft ons dat gezegd.[5]God is ook de Vader van alle mensen. Thomas citeert meer dan twintig maal de tekst van Michea 2, 10: « Hebben we geen vader, is het niet God die ons allen geschapen heeft?», een oproep tot broederlijke liefde. Gods vaderlijk bestuur betreft alle dingen en alle gebeuren, en hij richt de dingen op het einddoel dat hijzelf is. God behandelt de mensen niet als slaven, zoals het voor de overige schepselen het geval is, maar als zijn zonen.[6]God werkt met de tweede oorzaken en de mensen samen, en laat initiatieven aan de mensen over. Vandaar dat wij niet steeds het bewind van God begrijpen.

Een vader geeft niet slechts het leven aan zijn zoon maar helpt hem ook in zijn ontwikkeling, en voedt hem op. Van nature zijn de ouders bezorgd om de opvoeding van hun kinderen.[7]Nu hoort een zekere discipline ook hiertoe. Thomas verwijst veelvuldig naar Spreuken 13, 14 : «Wie zijn zoon bemint, gaat hem ook corrigeren». Onzerzijds moeten wij geduldig zijn in de beproevingen, zoals Spreuken 3, 11-12 dit zegt : «Veronachtzaam niet, mijn zoon, de lessen van uw vader, en wees niet bezorgd als hij U corrigeert, want hij berispt de zoon die hem het meest dierbaar is». Onze hemelse Vader corrigeert ons op drie wijzen : door ons respect en vrees in te boezemen; door onze zonden te vergeven en door het kwaad verre van ons te houden. Het is een voorrecht door God gecorrigeerd te worden, want dit is een teken van zijn liefde voor ons.[8]
Gods vaderlijke zorg uit zich ook in zijn barmhartigheid. Thomas citeert herhaaldelijk 2 Kor. 1, 3:«gezegend zij God, de Vader van onze Heer Jezus Christus, Vader van alle barmhartigheid en alle vertroosting». Barmhartig zijn is typerend voor vaders. Nu is barmhartigheid aan God de Vader. eigen in een overtreffende trap, in zover Hij door zijn genade de fouten en gebreken wegneemt.[9]In zijn commentaar op Psalm 26, 10 («Zelfs als mijn vader en moeder mij alleen laten, zal God mij opnemen») schrijft Thomas dat God in zijn vaderlijke zorg zich bekommert om de armen en de kleinen, zoals Wijsheid 6,6 het zegt. Als wij barmhartigheid beoefenen, worden wij gelijkvormig aan God.[10]Door het voorbeeld van barmhartigheid dat God ons geeft, worden wij aangespoord zelf barmhartig te zijn, zoals Jezus dit zegt: «Weest barmhartig zoals uw vader barmhartig is.[11]Naast deze barmhartigheid voor anderen hebben wij ook andere plichten. Als zonen van de hemelse vader moeten wij Hem eerbied betonen[12]In zijn commentaar op het Onze Vader noemt Thomas enkele van deze verplichtingen : God eren, zijn goedheid navolgen; aan zijn wil gehoorzamen; geduldig zijn in de beproevingen van ons leven.[13]God moet door ons geëerd worden als de vader van alle mensen. Als God de Vader van allen is, mogen wij niemand minachten op grond van zijn afkomst.[14]
In het Nieuwe Testament wordt ons geopenbaard dat God ook Vader is in deze zin dat Hij een Zoon heeft, gelijk aan Hem in zijn goddelijke natuur, maar die desondanks de menselijke natuur heeft aangenomen en onder ons geleefd heeft om ons tot aangenomen kinderen van zijn Vader te maken. Een christen gelooft dat Christus de ware Zoon van God is.In[15]de periode van het Oude Testament zijn weliswaar de mensen tot de kennis van God de Vader gekomen, maar dan als Schepper.[16]Dat God een Zoon heeft is ons eerst door Christus geopenbaard, door zijn leer en zijn wonderen, - maar deze leer werd voorbereid door de profeten en door Johannes de Doper die door de Vader als voorloper gezonden werd om de nabije komst van zijn Zoon aan te kondigen.[17]
Wat de betrekking van Christus met zijn hemelse Vader betreft is voor Thomas het evangelie volgens Sint-Jan de voornaamste bron. Wanneer Jezus zegt, dat zijn Vader hem verheerlijkt (Jn 8, 54) verstaat Thomas deze woorden zo dat de Vader Jezus verheerlijkt door de heerlijkheid van zijn goddelijke natuur, door hem als gelijk aan zichzelf te verwekken. Het Woord van God ontvangt de goddelijke natuur van de Vader, niet op grond van een beslissing, maar door natuurlijke voortkomst.Doordat[18]hij zichzelf kent, verwekt de Vader zijn Zoon, die de inhoud van deze kennis is.[19]Zo is de Vader het beginsel en de bron van de godheid van Jezus.[20]De Zoon, het Woord, is de wijsheid en het beeld van de Vader , van dezelfde substantie als deze. Door zichzelf te kennen, verwekt de Vader het Woord.Daarom[21]zegt Jezus ook :mijn leer is niet van mij, maar van degene die mij heeft gezonden» (Jn 7, 16), woorden die Thomas als volgt begrijpt : de leer van iemand is zijn woord, dat wat hij zegt. Nu is Christus het Woord van de Vader en daarom is de leer van de Vader de Zoon zelf.[22]Vanwege zijn eenheid met de Vader ontvangt de Zoon het leven van de Vader, en omdat hij door de Vader verwekt is, heeft hij dezelfde natuur als deze.Omdat[23]hij het beeld van de Vader is, leren wij de Vader door de Zoon kennen, zoals ook blijkt uit het antwoord van Jezus aan Philippus:«Wie mij gezien heeft, heeft de Vader gezien» (Jn14, 9) Thomas benadrukt de consubstantialiteit van de Zoon met de Vader.[24]Hoe moeten we dan zijn woorden verstaan dat «de Vader groter is dan hijzelf»? Thomas verklaart deze woorden als volgt : de Vader is groter omdat hij het principe is dat de natuur geeft aan de Zoon, maar de Zoon is niet geringer; hij is gelijk aan de Vader omdat hij alles wat de Vader heeft ontvangt.[25]«Alles wat van mij is, is van U, en wat van U is is van mij (Jn 17, 10), een zin die de gelijkheid van de Vader en de Zoon tot uitdrukking brengt.[26]In zijn eeuwige voortkomst ontvangt de Zoon van de Vader de wezensinhouden van alles wat ontstaat (rationes omnium fiendorum). In zijn Hogepriesterlijk Gebed geeft Jezus uiting aan zijn liefde voor de Vader. Het Evangelie volgens St.Jan onderstreept deze intimiteit en de tegenwoordigheid van de Vader in zijn Zoon. Jezus zegt dan ook dat hij in de Vader is en de Vader in hem (Jn. 14, 10). Door deze woorden wordt de consubstantialiteit met de Vader tot uitdrukking gebracht, terwijl wanneer we lezen in de proloog van het 4de Evangelie «en Hij was bij God» het onderscheid tussen de goddelijke personen wordt aangeduid.[27]De eenheid van de Vader en de Zoon is tweevoudig, nl, de eenheid van dezelfde natuur en de eenheid die de vrucht is van hun liefde.[28]De Vader is nooit gescheiden van de Zoon.[29]Jezus zelf zegt ons dat hij niet alleen is, want hij bidt in vereniging met zijn Vader(Jn. 5, 31 ss.). Jezus en zijn Vader zijn inderdaad eenzelfde werkelijkheid (Jn.10, 30), d.w.z., voegt Thomas hieraan toe, door de natuur, de eer, en de macht.[30]Bij gevolg neemt degene die Jezus ontvangt, de Vader op, en wie de Zoon bemint, bemint ook de Vader[31].

In deze samenhang moeten we ook de kennis van de Vader door de Zoon en omgekeerd vermelden. In Mt. 11, 27 zegt Jezus : «Niemand kent de Zoon tenzij de Vader en degene aan wie de Zoon het wil openbaren. Thomas geeft de volgende uitleg: de Zoon kent de Vader zoals hij zich zelf kent.[32]Jezus zegt dan ook :«Wij spreken van wat we kennen en wij getuigen van wat we gezien hebben» (Jn. 3,11). Jezus spreekt dus uitsluitend van de Vader en van wat hij gezien en gehoord heeft en bevestigt dat hij «alles wat hij van zijn Vader gehoord heeft, aan zijn leerlingen bekend gemaakt heeft» (Jn 15, 15).

Ook is er een eenheid van wil tussen de Zoon en de Vader. Aan het graf van Lazarus zegt Jezus: «Vader ik dank U omdat U me heeft verhoord; ik weet dat U me altijd verhoort». Thomas tekent hierbij aan, dat omdat de wil van de Vader die van de Zoon is, wanner de Vader handelt volgens zijn wil, hij ook de wil van de Zoon inwilligt.[33]Deze zin van Jezus wordt door Thomas een vijftigtal keren herhaald. Voor Jezus betekende dit dat hij de werken moest verrichten die zijn Vader van hem verlangde.[34]Alles wat de Vader doet, doet de Zoon eveneens.[35]Wat de Zoon verricht, krijgt hij van zijn Vader.[36]Tussen de Vader en de Zoon is er een algehele gelijkvormigheid. De Vader, die zijn Zoon gezonden heeft, beveelt ook wat deze moet zeggen en verkondigen (Jn. 12, 49). Omdat de Zoon het beeld van de Vader is, alle wezenheden der dingen en alles wat gebeurt, zijn ook van die Zoon die de wijsheid van de Vader is.

Gelet op deze eenheid, bevreemden enkele teksten van de H. Schrift. Zo schrijft b.v. Paulus dat de Vader zijn eigen Zoon heeft overgeleverd voor ons allen (Rm 8,32). Thomas verklaart de zin van deze woorden : ofschoon Christus de welbeminde Zoon van de Vader is, heeft deze hem toch in zijn menselijke natuur aan het lijden blootgesteld en aan de dood overgegeven om onze zonden uit te boeten. Vanuit dit gezichtspunt betekent het werkwoord “overleveren”, besluiten tot de menswording, tot het openbare leven en tot het lijden van Christus. Bovendien betekent dit woord ook dat de Vader aan Christus de wil en de liefde heeft ingegeven, waarmee hij zichzelf vrijwillig aan de dood heeft overgeleverd (Ef. 5,2). Anderzijds hebben echter Judas en de Joden Jezus uitgeleverd, omdat ze zijn dood hebben bewerkstelligd.[37]Achter deze bedoeling en dit plan om het verschrikkelijke kwaad van de zonden door de liefde en de gehoorzaamheid van de op het kruis lijdende Christus te overwinnen, staat de wil van de Vader om alle mensen uit te nodigen aan zijn goddelijk leven deel te nemen. Jezus zegt dan ook: «In waarheid zeg ik jullie dat het niet de wil van uw vader in de hemel is, dat er ook maar één van deze kleinen verloren gaat? (Mt 18, 14). In zijn gesprek met de Samaritaanse vrouw bevestigt Jezus dat de Vader mensen zoekt die hem in werkelijkheid aanbidden en in waarheid. In zijn commentaar onderstreept Thomas dat Jezus in zijn gesprek met deze vrouw de term “Vader” i.pl.v. “God”gebruikt, om aan te geven dat het hiet dezelfde aanbidding is, als die in het Oude Verbond gevraagd werd.[38]De algemene heilswil van de hemelse Vader komt ook tot uiting in het uitzenden van de apostelen naar alle volken om hen te bekeren, een zending die de voortzetting is van die welke de Vader aan de Zoon had gegeven.[39]Nog duidelijker zijn de woorden van Jezus in Jn 6, 40 :«Het is de wil van de Vader dat eenieder die de Zoon ziet en in hem gelooft, het eeuwig leven bezit». Aangaande de zending van de leerlingen schrijft Thomas: «Zoals de Vader die mij bemint, mij in de wereld heeft gezonden om te lijden voor het heil van degenen die geloven, zo zend ook ik, die jullie bemint, in de wereld om beproevingen te verdragen uit liefde tot mijn naam».[40]De Vader bemint de mensen zozeer dat hij soms beproevingen van de uitverkorenen toelaat, opdat hieruit een groot goed voor allen voortkomt.[41]
Evenwel moet de Vader de mensen aantrekken opdat zij in Christus geloven. Dit “aantrekken” brengt geen pressie met zich mee, maar geschiedt door overreding, door een innerlijke openbaring of door wonderen. Feitelijk spreekt de Vader innerlijk tot de uitverkorenen.[42]Er is nl. een dubbele kennis van de Vader : door onderrichting in de ware leer en door een innerlijke stem.[43]Thomas benadrukt een innerlijke drang die tot het geloof kan brengen.[44]Maar hier is ook de instelling van de mens van belang. Naar het woord van Augustinus wordt iedereen aangetrokken door wat hij graag heeft of doet («Trahit sua quemque voluptas»). Zo worden mensen die de waarheid, rechtvaardigheid en blijvende dingen zoeken eerder door Christus aangetrokken.

Worden degenen die zich niet bekeren niet aangetrokken door de Vader? Thomas antwoordt dat de mens door eigen kracht het bovennatuurlijk heil niet kan bereiken. Als hij het feitelijk niet bereikt, is dat vanwege een obstakel. God strekt zijn hand naar allen uit, maar sommigen grijpen deze uitgestrekte hand niet. In hen die feitelijk gered worden wordt de onmetelijke barmhartigheid van God duidelijk, maar in anderen uit zich Gods rechtvaardigheid. Op de vraag wie feitelijk gered worden is er geen antwoord : dit is uitsluitend afhankelijk van Gods wil.[45]
De bezorgdheid van de hemelse Vader voor ons heil wordt door Jezus ook met het beeld van de landbouwer tot uitdrukking gebracht. Naar een tekst van Augustinus verwijzend schrijft Thomas dat wij als een akker zijn die door God bewerkt wordt, van binnen en van buiten.[46]God bewerkt onze akker, verwijdert het onkruid, zaait het goede zaad in, hij opent ons hart zoals de ploegscharen in de akker voren trekken, hij plant het zaad van zijn geboden en ziet de vruchten van onze godsdienstigheid tegemoet.[47]De Vader zal verheerlijkt worden, wanneer wij vele vruchten opbrengen[48]
Een van de kenmerken van deze bijzondere betrekking van de gelovigen met God de Vader is het vertrouwen waarmee zij zich tot Hem kunnen wenden. Jezus zegt tot zijn apostelen dat hij hen alles wat hij van de Vader gehoord had, bekend gemaakt heeft (Jn 15, 15), hetgeen een uiting van ware vriendschap is.[49]We kunnen ons dan ook tot de Vader wenden met het volste vertrouwen. «Alles wat ge de Vader zult vragen, zal hij U in mijn naam geven» (Jn 16, 23). Met deze woorden belooft Jezus ons dat er een verhouding van grote vertrouwdheid en intimiteit tussen God en ons zal zijn. Ons gebed moet dan ook uit een kinderlijke genegenheid voortkomen.[50]Als onder ons mensen een vader al goed is voor zijn kinderen, hoeveel te meer zal dan onze hemelse Vader ons de goede dingen geven waarom wij vragen (Mt. 7, 11).
Wij noemen God onze Vader en daarom zal hij ons geven wat we nodig hebben zoals een vader aan zijn kinderen.[51]De intimiteit tussen God en ons komt ook tot uiting in het woord abba. Paulus schrijft dan ook dat omdat wij Gods kinderen zijn hij de Geest van zijn Zoon in onze harten heeft uitgestort die “Abba, Vader” roept (Gal. 4, 6). Wat dit “roepen” van de H.Geest betreft, merkt Thomas op, dat dit geen luid schreeuwen is, maar een bidden met grote vurigheid. Wij roepen “Abba.Vader” wanneer het vuur van de H. Geest in ons brandend is en wij naar God verlangen.Thomas[52]vermeldt het woord abba meer dan 40 keer in zijn geschriften en legt de nadruk op het feit dat we aangenomen kinderen zijn. Zoals te Cana, heeft Jezus het water van de vrees in de wijn van de liefde veranderd, toen hij ons de Geest gaf als aangenomen kinderen van God.[53]
Het commentaar van Thomas op het Onze Vader geeft een samenvatting van de wijze waarop een christen bidt. In het volgende wordt het eerste gedeelte weergegeven.

1.1 In orationem dominicam

Onder alle gebeden is het Onze Vader het voornaamste. Het bezit namelijk de vijf eigenschappen die voor een gebed vereist zijn. Het moet vertrouwensvol, juist, geordend, devoot en nederig zijn.
Vertrouwens vol zodat we met vertouwen tot de troon van zijn genade kunnen naderen (Hebr. 4). Ook moeten we bidden in niet wankelend geloof. Jacobus 1, 6 schrijft immers dat we zonder te aarzelen in vertrouwen en geloof moeten bidden. Men kan meteen begrijpen dat dit gebed het meeste vertrouwen geeft, want het is door onze Voorspreker geformuleerd, die zelf de allerwijste biddende persoon is, in wie alle schatten van wijsheid zich bevinden, zoals in Col. 2, staat en van wie 1John 2 zegt, dat we Hem als voorspreker hebben bij de Vader, Jezus Christus de rechtvaardige. Vandaar dat Cyprianus in zijn De oratione dominica schrijft :omdat wij Christus als voorspreker hebben bij de Vader voor onze zonden, leggen we aan God de woorden voor van onze voorspreker wanneer we bidden om vergeving van onze zonden. Ook blijkt dit gebed zo betrouwbaar en werkzaam omdat juist degene ons geleerd heeft om het te bidden zelf degene is die ons gebed bij de Vader verhoort, volgens het woord van Psalm 90, 15 :Hij zal tot mij roepen en ik zal hem verhoren. Vandaar dat Cyprianus spreekt van een gebed van vrienden, van een bede als familielid, als we de Heer met zijn eigen woorden vragen. Vandaar dat men nooit dit gebed vruchteloos beëindigt, want lichte zonden en tekortkomingen worden erdoor vergeven, zoals Augustinus zegt.
Ons gebed moet ook juist zijn in deze zin dat de biddende persoon van God dingen vraagt die goed voor hem zijn. Want Damascenus zegt dat bidden is dat men van God vraagt wat passend is. Dikwijls wordt een gebed niet verhoord omdat men verzoekt om wat niet passend is. Jacobus 4,3 schrijft immers: jullie hebben gebeden en niet verkregen omdat je onjuist gebeden hebt. Nu is het heel moeilijk te weten wat je moet verlangen. Die zaken waarom men terecht kan bidden, kun je ook verlangen, Zo zegt de apostel, Rom. 8, 26, «Want we weten niet wat we moeten vragen. Maar Christus zelf is onze leraar want hij zegt ons wat we moeten vragen. De leerlingen zeiden nl. tot Hem : Heer, leer ons bidden. Daarom kunnen wij terecht om die dingen vragen die Hij ons aangegeven heeft. Derhalve zegt Augustinus : wat voor woorden en zinnen we ook gebruiken, we zeggen eigenlijk niets anders dan wat in het Onze Vader staat, als we tenminste juist en passend bidden.
Het gebed moet geordend zijn wat betreft datgene waarom wij bidden,, en uiteraard ook onze verlangens, want het gebed vertolkt onze verlangens. De volgende orde is passend, nl dat we in ons gebed aan het geestelijke de voorrang geven boven het tijdelijke, aan het hemels boven het aardse, volgens Math. 6, 33: «Zoekt eerst het rijk der hemelen en zijn gerechtigheid; dan zal al het overige jullie worden geschonken». Christus toonde ons hoe deze orde in het gebed te bewaren, omdat (in het Onze Vader) eerst om hemelse, en daarna om tijdelijke zaken gevraagd wordt.
Het gebed moet devoot zijn want een ruimhartige en blijmoedige devotie maakt het offer van het gebed voor God aanvaardbaar , volgens Psalm 62, 5-6 :« In uw naam zal ik mijn handen opheffen , en mijn ziel zal met goede dingen overstelpt worden». Nu neemt onze godsvrucht vaak af door langdradigheid en omhaal van woorden in ons gebed. Daarom zegt de Heer dat we een stortvloed van woorden moeten vermijden. Math. 6, 7: «Wanneer jullie bidden, gebruikt geen vloed van woorden». En Augustinus schrijft in zijn brief aan Proba: Geen gepraat in je gebed. Als je intentie maar vurig is, dan ontbreekt jouw gebed niet aan kracht. Daarom heeft Christus zelf ons dit korte gebed (het Onze Vader) gegeven. Godsvrucht ontstaat uit liefde, -liefde tot God en de naaste, -waarvan dit gebed getuigt. Om namelijk de liefde tot God aan te duiden noemen we God Vader, en om de liefde tot onze naaste bidden wij voor allen te zamen, als we onze Vader zeggen, en: «vergeef ons onze schulden», -waartoe namelijk de naastenliefde ons aanspoort.
Ook moet ons gebed nederig zijn, overeenkomstig het Psalmwoord 101, 18: «God ziet op het gebed van de nederigen», en Lucas 18, - de parabel van de farizeeër en de tollenaar. Ook Judith 9, 16 onderstreept dit: «Het gebed van de nederigen en zachtmoedigen is U altijd welgevallig».- Deze nederigheid vinden we terug in het Onze Vader, want echte nederigheid bestaat hierin dat men niets uit eigen krachten meent te kunnen bereiken, maar alles verwacht door Gods kracht te verkrijgen.

Noteer ook dat dit gebed drie goede dingen teweegbrengt: Het is een werkzaam en nuttig hulpmiddel tegen het kwaad, want het bevrijdt van de begane zonden. Psalm 31, 5-6: «Gij hebt me het onrecht van mijn zonden vergeven». Daarom vraagt elke heilige U. Zo bad ook de moordenaar aan het kruis en verkreeg vergiffenis («heden zult ge met mij zijn in het paradijs», Lukas 23, 43). Het gebed bevrijdt ons immers van de vrees voor zonden die we zouden kunnen begaan, voor beproevingen en droefheid. Vgl Jacobus , eind 13: «Is iemand onder U bedroefd? Laat hem bidden». Het gebed bevrijd van vervolgingen en van onze vijanden. Psalm 108, 4: «In plaats van me te beminnen, hebben ze mij door het slijk gehaald. Ik echter bad».
In de tweede plaats is het werkzaam en nuttig om alle onze verlangens ingewilligd te krijgen. Marcus, 11, 24: «Gelooft dat alles waarom je in het gebed vraagt, gegeven wordt, en je zult het verkrijgen». En als we iets niet verkrijgen, is dat omdat we niet met aandrang gebeden hebben, want we moeten altijd bidden en nooit de moed verliezen, Lukas 18, 1, of omdat we niet vragen wat voor ons heil bevorderlijk is. Augustinus zegt: «Onze goede Meester geeft ons vaak niet wat wij verlangen, om ons te geven wat wij liever hebben». Je kunt dit zien bij Paulus, die driemaal vroeg van een lastigs iets bevrijd te worden, en niet verhoord werd (2 Kor. 12).
Op de derde plaats is het nuttig omdat het ons met God vertrouwd maakt. Psalm 111, 2: «Mijn gebed stijgt op als wierook tot voor uw aanschijn».

Jezus zegt immers «Onze Vader» . Let op, 1) hoe God onze Vader is, en 2) wat we Hem schuldig zijn omdat Hij Vader is. Hij wordt Vader genoemd vanwege de bijzondere wijze waarop Hij ons naar zijn beeld en gelijkenis heeft gemaakt, - een gelijkenis die Hij niet aan de overige lagere schepselen gaf. Deuter. 32, 6: «Hijzelf is je Vader, die je maakte en schiep». Eveneens is hij Vader op grond van het bestuur van de wereld, want hij bestuurt ons als mondige mensen, de overige wezens als slaven. Wijsh. 14, 3: Met uw voorzienigheid, Vader, bestuurt gij alles.- en 12, 18: Met grote voorkomendheid en respect ordent gij ons leven. Ook is Hij Vader omdat Hij ons als kinderen aangenomen heeft. Aan de overige schepselen geeft kleine, weinig belangrijke zaken, aan ons echter de erfenis, omwille van het feit dat we zijn kinderen zijn: en indien zijn kinderen, dan ook erfgenamen. Paulus, Rom. 8, 15, schrijft: «Gij hebt niet de geest van onderdanige slaven , maar de gesteltenis van geadopteerde kinderen, waarin je kunt roepen: abba, vader».

Nu zijn wij onze Vader vier dingen verschuldigd:
nl. eerbied, navolging, gehoorzaamheid, geduld in beproevingen.

die in de hemel is.

Onder alle eigenschappen welke degene die bidt, moet bezitten, is vertrouwen van het grootste belang. Jacobus, 1, 6 vermaant ons: bidt vol vertrouwen, en zonder aarzeling. Vandaar dat Jezus ons eerst aangeeft waaruit wij vertrouwen kunnen scheppen, nl. Uit de welwillendheid van onze Vader. Vandaar dat Hij zegt, Lukas 1, 13 : als jullie, ook al zijn jullie slecht, toch goede dingen aan je kinderen geeft, hoeveel te meer zal jullie hemelse vader dan het goede geven aan hen die erom vragen? Ook vertrouwen we op Hem vanwege zijn grote macht, vandaar dat Jezus zegt: die in de hemel is. Ook in Psalm 122, 1 wordt gezegd: Tot U die in de hemel woont, hef ik mijn ogen op.
Nu kan dit drie zaken betekenen: eerst dat wij ons voorbereiden, zoals Ecclesiasticus dit aanduidt:: bereid je geestelijk voor, voordat je begint te bidden.
«in de hemel» kan ook begrepen worden : in de hemelse glorie. - De voorbereiding behelst het navolgen van de hemelse dingen, want een zoon moet zijn vader navolgen. Zo zegt Paulus, 1 Cor. 15, 49: zoals we een beeld van het aardse in ons dragem zo moeten we ook dat van de hemel tonen.
Vervolgens door het navolgen van de hemelse zaken, want de mensen plegen vaker aan die dingen te denken, waar hun vader is, en waar je schat is, daar is ook je hart (Math.6, 21). Zo zegt de apostel: onze levenswandel is in de hemel (Fil. 3, 20), en «Zoekt wat daarboven is, waar Christus is»(Kol. 3,1).
Vervolgens kun je “die in de hemel is”ook verstaan als “die in de heiligen is”, die ons nabij zijn volgens Jeremias 14, 9 : Gij zijt in ons, Heer.. Zegt ook de psalmist niet: «De hemelen (= de heiligen) verhalen uw glorie , o God» (Psalm 18, 2).God woont immers in de heiligen door het geloof (Eph. 3, 17) en door de liefde: 1 Joh. 4, 16: «Wie blijft in de liefde, blijft in God» en Joh. 14, 23 :«Indien iemand mij bemint zal hij mijn woord bewaren, en de Vader zal hem beminnen en we zullen tot hem komen en onze intrek bij hem nemen».
In de derde plaats kan «die in de hemel is» ook een verwijzing zijn naar de werkingskracht van God, -zoals de hemel, sterren en zon op de aarde inwerken, en naar Gods verhevenheid.
Door de woorden «die in de hemel is» bidden wij met vertrouwen, nl. op grond van Gods macht, onze familie verhouding met God en op grond van het feit dat wat we vragen passend is.
De woorden «in de hemel» betekenen ook dat God verheven is, zoals de hemel verre boven de aarde staat, is God boven alles wat wij zien en kennen. Wat men ook kan denken of wensen is minder dan God. Job 36, 26: Ziet, onze grote God, die al onze kennis te boven gaat. Jesaja 11, 18: met wie kunnen wij God vergelijken?
Toch is God ons nabij. Jeremias 14, 9: U is in ons, Heer. Psalm 144,18: «De Heer is allen die Hem aanroepen nabij».

Uw naam worde geheiligd

Dit is de eerste bede waarin wij vragen dat Gods naam in ons duidelijk wordt en verklaard wordt. Nu is allereerst Gods naam wonderlijk, omdat God in all schepselen wonderlijke dingen werkt, vandaar dat de Heer in het evangelie van Marcus, 16, 17 zegt: «In mijn naam zullen zij duivelen uitdrijven, nieuwe talen spreken en slangen oppakken, en als ze iets dodelijks hebben gedronken, zal het hen niet schaden».
In de teede plaats is Gods naam beminnelijk, zoals staat in Handelingen 4, 12: «Er is ons geen andere naam gegeven hier in het aardse waarin wij zalig moeten worden. Nu is het heil wat wij allen beminnen.
In de derde plaats is de naam eerbiedwaardig, zoals staat in Filip. 2, 10: « In de naam Van Jezus moet elke knie zich buigen, van alles wat in de hemel, op aarde en in de onderwereld is». Dit betekent dan dat zowel de engelen en zaligen in de hemel, als ook de mensen op aarde uit liefde voor de hemelse zaligheid of uit vrees voor de straffen Gods naam vereren, en dat de verdoemden dit doen uit vrees.
In de vierde plaats gaat Gods naam alle verklaringen te boven, want alle menselijke taal schiet te kort in de verklaring van die naam. Soms wordt die naam toegelicht door analogieën zoals rots, vuur, licht.

Vandaar dat we vragen dat die naam gemanifesteerd wordt, opdat de mensen hem kennen en als heilig vereren. Nu betekent heilig in de eerste plaats dat wat stevig en vast is, vandaar dat alle zaligen in de hemel heiligen worden genoemd omdat ze bevestigd zijn in een eeuwige geluk. Op aarde kunnen zij nog niet bevestigd zijn omdat alles voortdurend in beweging is. Zoals Augustinus zegt: «Ik ben weggegaan van U o Heer, en heb veel gedwaald; ik heb me afgewend van de vastheid die U geeft»
Vervolgens beduidt heilig niet-aards. Daarom hebben de heiligen in de hemel geen aardse verlangens, zoals de apostel schrijft in Fil. 3, 8: «Ik heb alles als waardeloze rommel beschouwd om Christus te winnen». Aards betekent hier zondig en duidt de zondaars aan. Want de aarde, indien niet verzorgd, brengt slechts doorns en distels voort. En zo brengt de ziel van de zondaar indien ze niet door de genade wordt verzorgd, slechts stekels en distels voort. Vervolgens betekent aarde ook nevel en donkerte. Want de aarde is met nevels bedekt en duister, en zo leeft een zondaar in nevel en duisternis, zoals in Genesis 1, 2 staat: «Duisternis bedekte de oppervlakte van de aarde». Vervolgens staat heilig in tegenstelling met aards vanwege de aard van aarde. Als je wat aarde niet bijeenhoudt door het vochtige te maken, droogt het op en verwaait het als zand. Zo heeft een zondaar een dorre en verdroogde ziel.

Uw rijk kome

De H.Geest maakt dat we God op juiste wijze beminnen, dat we wat juist en goed is verlangen, en daarom bidden.. Zo geeft de H. Geest ons de gave van vreze des Heren, waardoor wij pogen de naam Gods te heiligen. Een andere gave is die van godsvrucht. godsvrucht of piëteit in eigenlijke zin is een weldoend en devoot gevoelen voor de Vader, en voor iedere mens die zich in ellende bevindt. Omdat God onze Vader is, zoals duidelijk is, moeten wij Hem eerbied betuigen en met ontzag eren, maar ook tegenover Hem blijde en vrome gevoelens koesteren. Deze gevoelen doen ons dan bidden dat het Rijk Gods moge komen (2 Tit. 2,12-13). Maar men zou zich kunnen afvragen, “het rijd Gods heeft altijd bestaan, waarom moeten we dan vragen dat het moge komen? Op drievoudige wijze kan men dit verstaan. a) Het kan gebeuren dat sommige mensen nog niet aan een bepaald rijk onderworpen zijn. Het wordt eerst duidelijk dat God werkelijk heerschappij uitoefent als alle mensen aan Hem onderworpen zijn. God is uiteraard de Heer van alles, en ook Christus als God; als mens ontvangt Christus van God dat hij de heer van allen zal zijn (Dan. 7, 14). Maar allen zijn hem nog niet onderworpen. Dit zal eerst aan het einde der tijden gebeuren (1 Cor. 15, 25) , dan zullen al zijn vijanden aan zijn voeten liggen. Derhalve vragen we: uw rijk kome. En dat in drie opzichten: de bekering van de rechtvaardigen, de bestraffing van de zondaars en de vernietiging van de dood. De mensen zijn op tweevoudige wijze aan Christus onderworpen: of wel vrijwillig, of ongewild. De mensen worden op tweevoudige wijze aan Christus onderworpen, nl vrijwillig of onvrijwillig. Dit gebeurt omdat Gods wil zo daadkrachtig is dat hij altijd volkomen vervuld wordt . Nu wil God dat allen aan Christus onderworpen zijn. Hiertoe zijn er twee wegen: ofwel de mens leeft volgens Gods wil door zijn geboden te onderhouden - zo handelen de rechtvaardigen, - ofwel God legt aan allen zijn wil op door hen te straffen, dit doet hij met de zondaren en zijn vijanden. Dit zal gebeuren aan het einde van de wereld. Cf. Psalm 109, 1: «Ik zal je vijanden aan je voetbank neerwerpen».Op grond hiervan kunnen de heiligen bidden dat het Rijk Gods kome, dat zijzelf nl. Hem geheel onderworpen zijn. Maar voor de zondaars is is deze bede schrikwekkend, want vragen dat Gods wil vervuld moge worden betekent voor hen niets anders dan dat zij overeenkomstig God wil aan straffen onderworpen worden. Cf Amos 5, 18: «Wee voor hen die zo verlangen nar de dag des Heren». Maar deze bede houdt ook in dat de dood vernietigd wordt, hetgeen in de opstanding gebeurt. Cf Fil. 3, 21: « Hij ons vernederd lichaam gelijkvormig maken aan dat van zijn verheerlijkt lichaam».
In de tweede plaats wordt het rijk van de hemel ook de heerlijkheid van het paradijs genoemd en dit is niet verwonderlijk, want «rijk» wil niets anders zeggen dan «bestuur» en men vindt het beste bestuur als er in dat land niets gebeurt tegen de wil van de bestuurder. Nu is de wil Gods het heil van de mensen, omdat Hij wil dat de mensen zalig worden, et dit zal bij uitstek gebeuren in het paradijs, waar er niets meer zal zijn dat afbreuk doet aan het heil van de mensen. Cf. Math. 13, 41: «Alle schandalen zullen uit zijn rijk verwijderd worden». In deze wereld zijn er echter veel zaken die tegen het heil van de mensen ingaan. Als wij derhalve bidden dat uw Rijk kome, vragen we dat we deelgenoten mogen zijn van het hemelse rijk en van de heerlijkheid van het paradijs. Dit Rijk verdient bovenal nagestreefd te worden, 1) vanwege de hoogste graag van rechtvaardigheid die erin zal heersen. Cf Jesaja 60, 21: «Van uw volk zijn allen rechtvaardig». Hier bij ons bevinden er zich slechte mensen te midden van de goeden, maar daar zal er geen enkele boze zijn en geen enkele zondaar. 2) vervolgens vanwege de volkomen vrijheid. Hier beneden is er immers geen werkelijke vrijheid, ofschoon allen er naar verlangen; maar daarboven zal er een volkomen vrijheid zijn wars van alle slavernij, Cf. Rom. 8, 21: «De schepping zelf zal bevrijd worden van bederfelijkheid». Niet slechts zullen allen daar vrij zijn, zij zullen ook koningen zijn. Cf. Openbaring, 5, 10: «U heeft ons tot heersers gemaakt voor onze God».

Uw wil geschiede op aarde zoals in de hemel
Een derde gave die de H. Geest in ons bewerkt , wordt de gave van wetenschap genoemd. De H.Geest bewerkt in ons niet slechts de gaven van godsvrucht en vreze de Heren, die een weldoende genegenheid voor God zijn, maar Hij maakt de mens ook wijs. En dat Vroeg David in Psalm 118, 66: «Wil mij goedheid, discipline en wijsheid onderrichten. ... Nu is het belangrijk dat de mens niet op eigen inzicht vertrouwt. Degenen die op eigen inzicht voorstaan zodat zij de meningen van anderen versmade, worden dwaas genoemd. .Dat een mens niet op eigen mening vertrouwd is een vrucht van nederigheid... De trotse mens vertrouwt te zeer op zichzelf. Nu leert ons de H. Geest door de gave van wetenschap dat we niet onze eigen wil doen, maar die van God. En zo bidden wij dat Gods wil vervuld moge worden op aarde zoals in de hemel. ... Wij moeten van God niets anders vragen dan dat zijn wil vervuld wordt. Het hart van de mens is dan juist wanneer het met de wil van God overeenstemt. Dit was wat Christus deed. Cf. Joh. 6, 38: «Ik ben uit de hemel neergedaald, niet om mijn wil te doen, maar van Hedm, die mij gezonden heeft». Als God heeft Christus dezelfde wil als de Vader, maar als mens is zijn wil een andere en daarom zegt hij dat hij niet zijn eigen wil doet maar die van de Vader. Maar als God alles gemaakt heeft wat Hij wilde )Psalm 113, 3) waarom moeten wij dan nog bidden dat zijn wil moge geschieden? Het eerste dat God wil voor ons is dat wij het eeuwige leven hebben...God heeft de mens niet voor niets gemaakt, en dat is niet voor zingenot, want ook de redeloze dieren hebben dat genot, maar opdat zij het eeuwige leven hebben... Wanneer iemand datgene bereikt waarvoor hij gemaakt is, zegt men dat hij gered is. Indien niet, dat hij verloren gaat. Wij vragen dat allen van dezelfde wil zullen zijn als God, en dat God zal willen wat de heiligen willen, en de heiligen al wat God wil, zodat door Gods wil ook hun wil vervuld wordt. Vandaar dat allen zullen heersen, omdat aller wil vervuld zal worden, en de Heer de kroon van allen zal zijn. Cf. Jesaja 28, 5:« Op die dag zal de Heer der heerscharen een kroon van glorie zijn, en een krans van jubel zal de rest van zijn volk omgeven» . 3) eveneens, vanwege de wonderlijke overvloed, - het eeuwige leven. Want God wil dat de mens het eeuwig leven zal bezitten. Wanneer iets bereikt waarvoor het gemaakt werd, zegt men dat het gered is, wanneer niet, dat het verloren gaat. Nu heeft God de mens gemaakt voor het eeuwige leven. Wanneer men dus het eeuwige leven bereikt, is men gered, en dit is wat de Heer eil: Joh. 6, 40: «Dit is de wil van de Vader die mij gezonden heeft, dat eenieder die de Zoon ziet en in hem gelooft, het eeuwige leven heeft. Deze wil Gods is vervuld in de engelen en in de heiligen die in het hemels vaderland zijn, omdat zij God zien en kennen en Hem geniete.n Maar wij verlangen ernaar dat zoals Gods wil in de zaligen vervuld is, hij ook in ons op aarde vervuld moge worden, en daarom bidden wij als we vragen «uw wil geschiedde in ons, die nog op aarde leven, zoals in de heiligen die in de hemel zijn»
Een ander aspect van Gods wil is dat wij zijn geboden onderhoueden. Wanneer iemand immers iets wil, dat wil hij niet alleen datgene. maar ook alles waardoor wij ertoe geraken, zoals een arts die de gezondheid wil, ook het diëet en de geneesmiddelen wil. Nu wil God dat wij het eeuwige leven bereiken en daarom zegt Jezus, Math 19, 17 :«Als je het eeuwige leven wilt bereiken, onderhoud de geboden».

Geef ons heden ons dagelijks brood

Het gebeurt vaak dat iemand die op grond van zijn grote kennis en ervaring bevreesd wordt. Vandaar dat zo;n persoon sterkte nodig heeft om niet in moeilijkheden te kort te schieten. Cf. Jesaja 11, 29: «Wie zal een de vermoeide kracht geven en voor de zwakken en onbenulligen hun sterkte vermenigvuldigen». Nu is het de H. Geest die deze kracht geeft. Cf. Ezech. 2,2: «De Geest is over mij gekomen en hij heeft mij recht op mijn benen gezet». Nu is deze kracht die de H.Geest geeft, dat het hart van de mens niet ontmoedigd wordt door vrees dat het noodzakelijke te kort zal schieten, maar dat hij vast gelooft dat alles wat noodzakelijk is , hem door God zal gegeven worden. Daarom leert de H.Geest, die ons deze kracht geeft, on bidden dat God ons vandaag ons dagelijks brood moge geven. Daarom wordt hij ook de geest van sterkte genoemd. Men lette erop dat in de drie voorafgaande beden om geestelijke zaken werd gevraagd, die weliswaar hier reeds op aarde (gedeeltelijk) vervuld worden, maar slechts in de eeuwigheid vervuld worden. Wanneer we nl. bidden dat zijn Naam geheiligd worde, vragen wij dat de heiligheid van God erkend moge worden; wanneer wij vragen dat zijn rijk kome, vragen wij dat wij deel mogen hebben aan het eeuwige leven; wanneer wij vragen dat zijn wil geschiede, bidden wij dat zijn wil in ons vervuld moge worden. Ofschoon al deze zaken reeds op aarde een aanvang nemen, kunnen zij slechts in volmaakte vorm in de hemel voorkomen. En daarom is het noodzakelijk ook te bidden om iets dat in het huidige leven geheel en al bezeten kan worden. Ook om deze reden om te laten zien dat ook tijdelijke zaken ons door God worden gegeven. En daarom is de bede: «geef ons heden ons dagelijks brood» Met deze woorden leert Christus ons vijf zonden te vermijden die voort kunnen komen uit het verlangen naar tijdelijke goederen. Een eerste zonde is dat de mens door een ongeregeld verlangen vraagt on datgene wat zijn situatie et staat te boven gaat, als hij niet tevreden is met wat bij hem past, b.v. hij wil geen soldaat zijn.... wil geen clericus zijn, maar een bisschop. Deze ondeugd verwijdert de mensen van het geestelijke in zover hij te zeer naar tijdelijke dingen streeft. Onze Heer leert ons dit gebrek te vermijden door ons te zeggen dat wij om ons dagelijks brood vragen, d.w.z. om alles wat wij voor ons huidige leven volgen de levensstaat van ieder nodig hebben. Dat alles wordt onder het woord brood verstaan. Daarom leert hij ons geen verfijnde zaken te vragen, niet wat anders en afwisselend is, of wat uitgelezen is, maar om brood, zonder hetwelk het dagelijks leven niet mogelijk is, dat allen gemeenschappelijk is. Cf. Ecclesiasticus 29, 28: «Het begin van 's mensen leven is brood en water». De apostel zegt ons in 1 Tim/ 6, 8: «Laten wij tevreden zijn met voedsel, en kleding» ,
Een tweede ondeugd is dat in hun pogingen tijdelijke zaken te verwerven sommigen het voor anderen moeilijk maken of hen bedriegen. Deze ondeugd is zo gevaarlijk dat het moeilijk is het onrechtmatig verworvenen te restitueren, maar de zonde wordt niet vergeven, tenzij het weggenomen teruggegeven wordt, zoals Augustinus zegt. Jezus leert ons deze ondeugd te vermijden in zover hij ons leert om te bidden om ons dagelijks brood, niet om dat van anderen.
Een derde ondeugd is een onnodige bezorgdheid. Er zijn immers mensen die nooit tevreden zijn met wat ze hebben maar steeds meer willen. Dit is een onmatig streven, omdat ons verlangen moet beantwoorden aan dat wat wij nodig hebben. Zoals Spreuken 30, 8 zegt: «Geef mij geen rijkdommen en geen armoede, maar dat wat ik voor mijn dagelijks leven nodig heb».

1.2 Voetnoten

  1. In Galatas, c.1, l. 1 :«Deus Pater accipitur ...(secundo modo) .pro tota Trinitate».
  2. De duobus praeceptis caritatis, a.6: «Deus enim verior Pater est».
  3. Sth III, 33, 3.
  4. Compendium theologiæ, II, c.6:«...quia per ipsum nostrum esse conservatur, vita gubernatur, motus dirigitur».
  5. In Evang. Ioann., c. 17, les 1.
  6. In orationem dominicam
  7. QD de malo, q. 1, aa. 1: ,Naturaliter homines sunt solliciti... de educatione suorum filiorum».
  8. In Job,c.5.
  9. In 2 Cor., c.1, les 2.
  10. Catena aurea in Lucam, c.6, les 8.
  11. Lucas 6, 36.
  12. In Job, c. 27.
  13. In orationem dominicam.
  14. STh, 79, 4; In Evang. Matthæi, c. 6, les 3.
  15. In Symbolum Apostolorum, art. 2.
  16. In Evang. Ioan., c.1, les 1.
  17. L.c.
  18. In Evang. Ioan., c.1, les 1.
  19. O.c., c.5, l.3: «Pater videns se et intelligens, concipit Filium qui est conceptus huius visionis».
  20. In Ephes. , c. 4, l. 2: «Pater est fontale principium divinitatis».
  21. In Evang. Ioan., c.1, l. 1.
  22. O.c., c.7, l. 2.
  23. O.c., c.6, l. 7.
  24. O.c., c. 14, l. 1&3.
  25. O.c., c. 14, l. 8.
  26. O.c., c.17, l.2 :«....in quo ostenditur æqualitas Filii ad Patrem».
  27. O.c., c.1, l. 1.
  28. O.c., c. 17, l. 3.
  29. O.c., c. 1, l. 2 : «Numquam Deus solitarius fuit a Filio».
  30. O.c., c.10, l. 5.)
  31. O.c., c.15, l. 5.
  32. O.c., c. 8, l. 4.
  33. O.c., c. 11, l. 6.
  34. O.c.,c. 4, l. 4 : «...ut compleam opera quæ scio eum velle»; In orat. dom., a. 3 :«Secundum quod homo habet aliam voluntatem a Patre et secundum hanc dicit se non facere voluntatem suam sed Patris».
  35. In Phil., c.3, l. 3: «Quæcumque Pater facit, et Filius similiter facit».
  36. In Evang. Ioan., c.15, l. 5.
  37. In Rom., c. 8, l. 6.
  38. In Evang. Ioan., c. 4, l. 2.
  39. O.c., c.12, l. 8.
  40. O.c., c. 20, l. 4
  41. O.c., c. 20, l. 5.
  42. O.c., c. 1, l. 15.
  43. O.c., c. 17, l. 6.
  44. O.c., c. 6, l. 5: «Ideo trahit multos Pater ad Filium per instinctum divinæ operationis moventis interius cor hominis ad credendum».
  45. O.c., c. 6, l. 5.
  46. In 2 Tim., c. 2, l. 3: «Agricola est interius et exterius operans»; In 1 Cor., c.3, l. 2 :«Dei agricultura estis, quasi ager a Deo cultus».
  47. Catena aurea in Ioan., c. 15, l. 1: «Deus nos colit, meliores nos reddit. Cultura ipsius est in nos, quod non cessat verbo suo extirpare mala semina de cordibus nostris, aperire cor nostrum tamquam aratro sermonis, plantare semina præceptorum, expectare fructum pietatis».
  48. In Evang. Ioan., c. 15, l. 1: «Ex fructificatione nostra Pater glorificatur».
  49. In Evang. Ioan., c. 15, l. 3.
  50. O.c., c. 16, l. 6.
  51. In Evang. Matthæi, c.7, l. 1: «Quia nos vocamus eum patrem, tribuit nobis quod pater filiis».
  52. In Galatas, c.4, l. 3: «...clamare facientem non magnitudine vocis sed magnitudine et fervore affectus. Tunc enim clamamus Abba. Pater quando per affectum accendimur calore Spiritus Sancti ad desiderium Dei».
  53. In Evang,. Ioan. , c.2, l. 1.
Personal tools