De leer van Sint-Thomas over de goddelijke openbaring

From Elderswiki

(Difference between revisions)
Jump to: navigation, search
(Ontvangen van kennis en verlichting in de profetische openbaring)
Line 3: Line 3:
|style="background:#FFFF90" | [[Capita selecta uit de theologie van Sint-Thomas van Aquino|Capita Selecta]]
|style="background:#FFFF90" | [[Capita selecta uit de theologie van Sint-Thomas van Aquino|Capita Selecta]]
|}
|}
 +
{|cellpadding="4" cellspacing="0" border="0"
 +
|style="background:#F0FFFF" | [[Main Page]]
 +
|}
 +
{|width=850px
 +
|align=justify|
__TOC__
__TOC__
==De leer van Sint-Thomas over de goddelijke openbaring==
==De leer van Sint-Thomas over de goddelijke openbaring==
Line 50: Line 55:
===Voetnoten===
===Voetnoten===
<references/>
<references/>
-
[[Category: Dutch]]
+
|}
 +
[[Category: Toegang Nederlands]]
 +
[[Category: Capita Selecta]]

Revision as of 09:30, 24 October 2015

Main Page Capita Selecta
Main Page

Contents

1 De leer van Sint-Thomas over de goddelijke openbaring

Tot aan het Tweede Vatikaans Concilie was de gangbare leer over de goddelijke openbaring die van de oude traditie, door Thomas v.Aquino duidelijk geformuleerd, en door Vatikaan I in de constitutie Dei Filius (DZ 3000-3020) beknopt vastgelegd. Maar Vatikaan II schijnt een andere opvatting naar voren te brengen in de Constitutie Dei Verbum. Men vond nl. dat de oude opvatting (openbaring is meedelen door God van waarheden) te dor en schematisch was en geen recht deed aan het feit dat het leven van Jezus en zijn daden ook openbaring zijn. Dei Verbum is op de H. Schift en het concrete gericht , en ziet in het leven, de wonderen door Jezus verricht de openbaring van God

De Openbaring heeft op God betrekking zoals Hij is in zich zelf en op zijn project met de mensheid en de wereld, in zover dit laatste met het heil van de mensen verband houdt. Openbaring betreft in de eerste plaats waarheden, kennis die uitgaan boven wat het menselijk verstand kan bereiken, maar kan ook betrekking hebben op waarheden die toegankelijk zijn voor ons verstand maar soms moeizaam gekend worden, Alles wat door God geopenbaard wordt is van nut voor het eeuwig heil van de mensen.[1]Openbaring vindt zijn bekroning in de aanschouwing Gods, waarin God zich zelf bekend maakt en geeft aan de mens. De openbaring van het Oude en Nieuwe Testament is hiervan een voorbereiding.[2]
Wat betreft de openbaring aan de mensen op aarde gegeven zegt ons geloof dat deze aan een beperkt getal mensen is gegeven die deze aan anderen moeten doorgeven.[3]Degenen die de openbaring ontvangen hebben zijn de proteten en apostelen. Verschillende van hen hebben te boek gesteld wat zij ervaren, gehoord of gezien hebben. Deze geschriften vormen te zamen de boeken van het Oude en het Nieuwe Testament. Dit werpt dan de vraag op nar de verhouding tussen openbaring en H. Schrift.

1.1 Inspiratie

Met inspiratie in theologische zin, bedoelen we de inwerking van God op de gewijde schrijvers die hen aanzet om te schrijven en te boek te stellen wat Hij wil, - een verlichting van de geest van de schrijver en een invloed op zijn wil. (voorbeeld: de schrijver wordt dan gebruikt als een instrument). Gevolg van deze goddelijke bijstand is dat God de hoofdauteur van de tekst is en dat deze dan vrij is van dwalingen. Wel moet men bedenken dat Gods inwerking, inspiratie genoemd, door het «prisma» van de menselijke auteur werkt, en dat zo de eigen aard van b.v. de Brieven van Paulus en de Vier Evangelies ontstaat. Wanneer de schrijver bovennatuurlijke feiten weergeeft (b.v. Paulus in zijn brief aan de Kolossenzen over Christus die terwijl hij God was de gestalte van een mens heeft aangenomen) is er ook sprake van openbaring, maar wanneer in de Handelingen Lukas een reis per schip beschrijft, die hij zelf meemaakte, of waarover hij van getuigen gehoord had, is er wel inspiratie maar spreken we niet van openbaring. - Soms echter wordt de term inspiratie ook gebruikt om openbaring aan te duiden. Cf. 2 Tim. 3, 16..

De inspiratie v.d. H. Schr. betekent dat God de auteur is terwijl de menselijke schrijver schrijft onder invloed van Gods bewegende kracht. De gehele Bijbel is geïnspireerd, heeft God als voornaamste auteur. Er zijn daarom geen dwalingen in de tekst, d.w.z. datgene wat de schrijver wil meedelen is noodzakelijkerwijze waar Als de gehele H. Schrift geschreven is voor ons heil, zijn teksten die zuiver historische gebeurtenissen vermelden, toch van belang voor ons christelijk leven. Het gebeurt dat de schrijver, b.v. een evangelist, geen groot belang hecht aan sommige details, die hij vermeldt, maar zijn aandacht richt op het centrale gedeelte van de boodschap en hij de details gebruikt om deze beter te doen uitkomen. Men ziet nl. dat er soms lichtelijk verschillende beschrijvingen zijn van gebeurtenissen uit het leven van Jezus, (b.v. de uitdrijving van kooplui uit de tempel; verschijningen van Jezus na zijn verrijzenis). Thomas geeft hier een belangrijke verklaring. De letterlijke zin van een tekst is die welke de menselijke auteur duidelijk wil meedelen. De kleine details moeten dan gezien worden als toelichting van bepaalde feiten, die voor de auteur centraal staan.[4]Sint Thomas wijst er ook op dat de letterlijke zin niet altijd de precieze woorden van een tekst is. De betekenis van de zin «Als iemand U een klap geeft, wend hem ook uw andere wang toe» (Mt 5,39) moet afgeleid worden uit de manier waarop Jezus zelf zich gedroeg. Toen een knecht van Kaïfas hem sloeg, keerde Jezus niet zijn andere wang naar de man toe, maar merkte op : «Als ik iets verkeerds gezegd heb, laat dan zien dat het verkeerd was, maar als ik juist gesproken heb, waarom sla je me?».

1.2 De geestelijke zin van de H. Schrift

Het is sinds het begin de overtuiging van de kerk geweest dat de tekst van de H.Schrift naast de onmiddellijke letterlijke zin van teksten, ook nog andere dingen kan aanduiden. Zo zei St. Hieronymus dat er in de woorden van de H.Schrift verschillende betekenissen verborgen liggen. De reden hiervoor is dat de zaken waarover de tekst spreekt, en de gebeurtenissen die vermeld worden ook symbolen van andere dingen kunnen zijn. In dat geval hebben niet slechts de woorden van de tekst hun betekenis maar ook de zaken en gebeurtenissen die zij vermelden. God kan ook aan bepaalde dingen deze extra betekenis hechten, zodat ze iets nieuws aanduiden.

Sint Thomas verklaart de aanwezigheid van de geestelijke zin van bijbelteksten door te zeggen dat de woorden van God en van Christus (in het NT) zo diepzinnig zijn dat wij ze slechts kunnen begrijpen in de mate waarin God ze aan ons openbaart.[5]Elk woord in de Bijbel komt van het Eeuwige Woord en is vol wijsheid. Voorbeelden maken het gemakkelijk deze rijkdom aan betekenis te begrijpen. Paulus zegt dat het Oude Testament allegorieën bevat, zodat gebeurtenissen van vroeger verwijzen naar Christus. B.v. de offers van het Oude Verbond, de Uittocht uit Egypte, de tempeldienst, - de lotgevallen van Israël. Dit is de zg. allegorische betekenis van bijbelteksten. Kort gezegd, het NT is verborgen aanwezig in het Oude, en de zin van het Oude wordt eerst volledig duidelijk in het Nieuwe Testament.[6]Hij voegt hieraan toe : «We hebben de feiten gehoord Gaan we nu op zoek naar het mysterie»[7]
Daarnaast hebben sommige teksten ook een morele betekenis voor ons, zoals de zonde van David voor ons een lering is. Maar teksten die een zedenleer voorschrijven of verkondigen worden niet als geestelijke zin beschouwd, maar zijn een lering in hun letterlijke zin.
Tenslotte hebben sommige teksten een anagogische zin, doordat zij de hemelse voleinding aanduiden.- Het is de verdienste van Sint-Thomas de dir geestelijke betekenissen van Bijbel-teksten duidelijk te hebben onderscheiden

Niet alle teksten van de H.Schrift hebben naast hun letterlijk zin ook deze drie geestelijke betekenissen. De geestelijke zin wordt niet als argument in de theologie gebruikt, tenzij deze door de Schrift zelf bevestigd wordt. Wel is de geestelijke zin van grote waarde voor ons geestelijk leven, en gebruikt Thomas deze in zijn Bijbel commentaren. Zo schrijft hij m.b.t. de bruiloft van Cana dat dit huwelijk de vereniging van Christus en de kerk aanduidt. Dat de bruiloft op de derde dag plaats vond, betekent dat na de eeuwen van alleen natuurwet, na het tijdperk van de wet van Mozes, nu de tijd van de genade gekomen is. De aanwezigheid van Maria betekent dat onze vereniging met Christus door haar tot stand komt. De zes water kruiken duiden de zes perioden aan, waarin het Oude Verbond ingedeeld wordt, enz. De geschiedenis van Israël, zoals deze in het OT verhaald wordt, staat nu in een ander licht : ze spreekt over Christus, en geeft aanwijzingen voor ons christelijk leven, en geeft een beeld van het eeuwige leven.[8]
Tenslotte nog een opmerking over de betekenis van de term inspiratio. In de eerste plaats betekent het woord een zekere invloed van buiten af op een persoon. Het kan het inademen van de lucht zijn. God blies de levensadem in Adam. Vervolgens duidt het woord ook de werking van God aan, die aan de mensen het licht van het verstand en kennis geeft. Zo komen we herhaaldelijk de uitdrukking tegen sapientiam inspirare.- Tenslotte kan de term ook een inwerking Gods op bovennatuurlijk vlak aanduiden, om de mensen deugdzaam te laten handelen, en - bij de menselijke auteurs van de H. Schrift- om Gods ingevingen te boek te stellen, en het geloof te onderrichten.

1.3 Openbaring

Openbaring, in de theologische betekenis van het woord, is een meedelen van kennis van Gods wege aan de mens, en wel «per modum cuiusdam doctrinæ».[9]Een eerste vraag betreft het waarom van de openbaring. Ons natuurlijk verstand geeft ons slechts een heel beperkte kennis van God, en daarom hebben wij een andere leer nodig die aanvult wat aan de natuurlijke kennis te kort komt. In de Summa contra gentiles, III, 147 zegt Thomas dat we tot een einddoel geordend zijn dat onze natuurlijke vermogens te boven gaat. We hebben goddelijke hulp nodig om op weg te gaan naar dit doel. De mens moet nl. weten waarheen hij moet gaan. Maar God openbaart ook sommige waarheden die wèl toegankelijk zijn voor het natuurlijke verstand, om onze natuurlijke reden behulpzaam te zijn. De goddelijke openbaring doet het licht van ons natuurlijk verstand niet te kort, - het versterkt het.

Omdat de mens een sociaal wezen is, moeten wij elkaar behulpzaam zijn in het zoeken naar de waarheid, zoals wij dat ook op andere terreinen van het dagelijks leven doen.[10]De sociale natuur van de mens is de reden waarom de goddelijke openbaring aan sommige personen gegeven werd, opdat zij deze aan anderen doorgeven. Bovendien moesten zij de hun gegeven kennis ook schriftelijk vastleggen, om aldus voor de volgende generaties beschikbaar te zijn.

Dit doet de vraag opkomen waarin nu precies de openbaring bestaat. Nu zegt men tegenwoordig wel dat met openbaring gebeurtenissen bedoeld zijn, b.v. uit het leven van Jezus. Men leest echter in Galaten 1, 3 dat Paulus de boodschap die hij preekt, door een speciale openbaring van God geleerd heeft. Die speciale openbaring is een geestelijk proces in het verstand van de profeet of apostel (evangelist) waarin hij dank zij een speciale verlichting een hogere, met het eeuwig heil verband houdende kennis ontvangt of een betekenis ontdekt in bepaalde gebeurtenissen, personen en gezegden. B.v. na de verrijzenis van Jezus “begrepen”de apostelen de betekenis van veel dingen die Jezus hun gezegd had. Een ander voorbeeld : de twee leerlingen die naar Emmaus gingen, begonnen opeens te begrijpen waarom de Messias moest lijden. Deze gebeurtenissen kunnen in het verleden liggen, b.v. Paulus “ziet” nu wat de exodus uit Egypte voor de Christenen betekent. Maar het kunnen ook gebeurtenissen uit eigen tijd zijn, of in de toekomst liggen die een profeet (of b.v. Johannes in het Boek van de Openbaring) reeds als tegenwoordig ziet. Er is dus een tweevoudig element, een duplex causa die in het openbaringsgebeuren werkzaam is: gebeurtenissen, personen, woorden, die in het verstand van de degene die de openbaring ontvangt een nieuwe en hogere betekenis krijgen door de innerlijke verlichting en het inzicht dat door God wordt gegeven. «Revelatio non fit nisi per infusionem alicuius luminis gratis datae.[11]Een verdere bijzonderheid is dat de openbaring trapsgewijze plaatsvond in de loop de eeuwen, en een telkens groeiende inhoud kreeg. Trouwens Jezus heeft dit beginsel ook toegepast, en stukje voor stukje het plan van God bekend gemaakt aan zijn leerlingen. Zo zien wij dat aanvankelijk in het Oude Verbond, de openbaring beperkt was.

De profeten en apostelen moeten de kennis die zij ontvangen hebben doorgeven door het gesproken woord, maar ook door deze te boek te stellen, zodat het ook voor komende generaties betekenis zou hebben.[12]De H. Schrift bevat het wezenlijke van de openbaring, zodat ze het fundament van het geloof is , en de regel voor het geloof, waaraan niets kan worden toegevoegd, en waarvan niets mag worden weggelaten.[13]Zij bevat de waarheid, welke de mens moet kennen om gered te worden. Volgens Thomas is de Bijbel alleen niet voldoende voor het geloof van de Kerk en het christelijk leven. Wat wij geloven is breder dan wat in de Bijbel geschreven staat. Sommige waarheden werden door de apostelen mondeling doorgegeven onder de inwerking en leiding van de H. Geest, zoals b.v. de vorm van het sacrament van het vormsel, enz. het geloof in Maria’s ten Hemelopname is ook door de mondelinge traditie doorgegeven. Trouwens, wanneer Thomas schrijft dat de H. Schrift de voornaamste basis van het geloof is, moet men dit niet verstaan in de zin van Luther’s sola scriptura, want Thomas beschouwt de Bijbel altijd zoals zij door de Kerk gebruikt en geïnterpreteerd wordt. De Bijbel moet worden gelezen in fide catholica. Zonder de Kerk en haar leerambt is er geen correcte interpretatie.

Om het wezenlijke van wat God geopenbaard heeft gemakkelijker toegankelijk te maken hebben de apostelen en hun opvolgers de Geloofsbelijdenis van de apostelen opgesteld, en later andere geloofsbelijdenissen, zoals die van Nicea. Wat de Kerk leert is dé interpretatie van de H. Schrift. Een belangrijke uitspraak van Vaticanum II is dat de goddelijke openbaring afgesloten is met het apostolisch tijdperk («viri apostolici») en de Kerk geen nieuwe publieke openbaring tegemoet ziet, voor het einde der tijden. De H.Schrift wordt gelezen in medio Ecclesiæ, d.i. in gemeenschap met de Kerk van alle tijden. Zij is het fundament en de regel van ons geloof. Wij moeten haar dan ook lezen volgens het geloof en de leer van de Kerk.

1.4 Ontvangen van kennis en verlichting in de profetische openbaring

In het voorafgaande was sprake van de goddelijke openbaring als een tweevoudig gebeuren : 1) woorden, die de profeet of apostel hoort, gebeurtenissen die hij ziet, 2) een innerlijke verlichting m.b.t. de bovennatuurlijke betekenis hiervan. Zo wordt openbaring een mededeling van kennis.[14]Dit laatste werd door de modernisten ontkend, die de goddelijke openbaring tot een persoonlijke ervaring reduceerden, zonder een bepaalde inhoud. Ook onder katholieke theologen bestonden opvattingen, die enigermate in deze richting gingen (M-D. Chenu en L.Charlier): openbaring bestaat hierin dat God zich aan de mens geeft. Men maakte onderscheid tussen de strekking van een zin, en de gebruikte begrippen. Deze laatste zouden vervangen kunnen worden. Maar in de encycliek Humani generis verwerpt Pius XII deze theorie : ze leidt tot relativisme; de begrippen waarin de concilies de geloofswaarheden hebben uitgedrukt behoren tot de substantie van het geloof zelf. Ook Vaticanum II, in Dei Verbum, zegt met klem dat de openbaring een boodschap brengt; de Kerk hoort deze boodschap en verkondigt haar. De persoon van Christus, zijn leven en leer zijn openbaring in zover zij in een erkenbare boodschap gedacht en aanvaard worden

Sint-Thomas verduidelijkt de bedoeling van de goddelijke openbaring als mededeling van kennis als volgt. De mens moet God door kennis en liefde bereiken. Omdat Gods wezen en zijn liefde de natuurlijke kennis van de mens verre te boven gaan, is een “openbaring” van God als ons einddoel en over de weg naar Hem, noodzakelijk. Inhoud van de openbaring is God zelf en zijn besluit ons mensen tot zich te roepen. De openbaring wordt in de loop de geschiedenis gegeven en past zich aan de structuur van het menselijk kennen aan, d.w.z heeft een inhoud en omvat ook een oordeel of inzicht hierover. Deze inhoud hoeft niet noodzakelijkerwijze uit nieuwe feiten te bestaan, maar kan ook de aan de profeet/apostel reeds bekende zaken betreffen, die dan in een nieuw licht geplaatst en op God gericht worden. Wij zien dan ook als we de teksten van de profeten van Israël lezen, dat zij beelden gebruiken uit hun menselijke ervaring. Men ziet dat ook in de brieven van Sint-Paulus die met behulp van menselijke begrippen duidelijk maakt wie de persoon van Christus is. Ook Johannes gebruikt in zijn evangelie een natuurlijk verworven terminologie om over de goddelijke persoon van Christus te schrijven.

Een verdere verdieping van inzicht in het geopenbaarde vindt plaats, maar wat ooit door de Kerk als waar ingezien en aanvaard werd behoudt zijn waarheid. De begrippen waarmee de geopenbaarde leer uitgedrukt wordt, zijn aan de algemene menselijke ervaring ontleend en behouden daarom hun geldigheid. Natuurlijk zijn er in de loop der tijden veranderingen in de wijze waarop mensen hun ervaringen uitdrukken, maar de in de geloofsformules gebruikte begrippen zijn een weergave van natuurlijke dingen en structuren, die altijd hun waarheid behouden. God spreekt tot de profeten en apostelen, en dit is geen locutio corporalis, maar een mededeling van gedachten en betekenissen. God kan op de zintuigen van de profeet inwerken en eventueel nieuwe beelden/voorstellingen geven, maar ook de reeds aanwezige beelden iets nieuws laten aanduiden. Deze beelden en voorstellingen worden zo gericht dat zij in het licht van Gods openbaring waarheden van de bovennatuurlijke orde kunnen aanduiden.

Een andere uitwerking van de goddelijke inwerking op de openbaringsontvanger is de zekerheid waarmee zij deze boodschap erkennen. Zoals reeds vermeld, is de openbaring van Godswege in het Oude en het Nieuwe Verbond een beperkte kennis, en vindt haar bekroning en vervolmaking in het zien van God in de eeuwigheid.

1.5 Voetnoten

  1. Q.d. De veritate, XII, 2.:.«. Omnia illa quorum cognitio potest esse utilis ad salutem».
  2. Sth II-II, 171, 4 ad 2 :«Perfectio autem divinæ revelationis erit in patria».
  3. Dei Verbum.
  4. Cf. In Ioan. Evangelium, c.18, les 4"«Nec refert si alli evangelistae dicunt tertiam interrogationem factam a pluribus, Ioannes vero ab uno,... cum non esset eorum principalis intentio ad hoc, sed ad commemorandum verba Petri et ostenderndum veritatem eius quod Dominus dixerat Petro».
  5. In Evang. sec.Ioannem, c.13, les 5, n. 1816.
  6. Augustinus, Enarr. in Ps. 105, n. 36.
  7. In Ioan, Evang., tr. 50, n.6 : «Factum audivimus, mysterium requiramus».
  8. Quodlib. VII, q. 6, 1, 2 & 3.
  9. STh II-II 171, 6.
  10. SCG, III, 77-79.
  11. In II Sent., d. 28, q. a. 5
  12. Sth III, 12. 4 :«Scripta ordinantur ad impressionem doctrinae in cordibus auditorum sicut ad finem».
  13. Exp.in Evang. Ioann., c. 21, les 6: « Sacra Scriptura est regula fidei cui nec addere nec subtraherere licet».
  14. DS 3459 :«Corpus determinatum doctrinæ».
Personal tools